Black is blank

Niets is wat het lijkt, wanneer het allereerste zwarte elftal op een Europees voetbalveld verschijnt.

vrijdag 18/05
©isosport

Het lijkt wel eens anders, maar het voetbal is uiteraard geen op zichzelf staande biosfeer, los van elke maatschappelijke werkelijkheid. Vandaag niet, en bij het prille begin al evenmin. Bakermat Engeland is aan het einde van de 19de eeuw nog een wereldrijk. In november 1879 kreunt het onder de nasleep van zijn zoveelste koloniale oorlog. In een poging om Zuid-Afrika helemaal onder controle te krijgen, worden kanonnen en blanke sabels ingezet tegen de Zoeloe-natie van koning Cetshwayo. Het lukt, zoals zo vaak. De prijs aan mensenlevens is hoog, zoals altijd. Geen Brit die wakker ligt van het aantal slachtoffers bij de niggers en hun nabestaanden. Maar voor de weduwen en wezen van de omgekomen Britse soldaten gaan de harten en de portemonnees gul open. In dat verband wordt in Sheffield een voetbalwedstrijd voor het goede doel georganiseerd.

Tweeduizend toeschouwers zijn er helemaal klaar voor in Bramall Lane, het stadion van Sheffield United. Een selectie van de beste plaatselijke spelers neemt het op tegen een Zoeloe-elftal. Niet zomaar een stel zwarte voetballers, overigens. Niemand minder dan de verslagen Zoeloe-koning Cetshwayo speelt mee. Zijn broer Dubalamanzi ook, en de man die in de Britse kranten is verketterd als de baarlijke duivel in hoogsteigen persoon: hun legeraanvoerder Sirayo. Met een mengeling van angst en zelfgenoegzaamheid zien de toeschouwers hoe het Zoeloe-elftal in luxewagens aankomt bij het stadion. Ze rennen rechtstreeks naar het veld, leggen hun speren en schilden neer bij de zijlijn en beginnen te voetballen alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Hoezo, verpletterd door de onklopbaar gewaande blanke tegenstanders? Ze verslaan de Engelsen met 5-4. Consternatie alom.

Het nieuws gaat het hele land rond. Iedereen wil die Afrikaanse wondervoetballers aan het werk zien, en er wordt een heuse tournee georganiseerd. Barnsley, Chesterfield… overal staan de belangstellenden rijen dik en geen enkel blank team slaagt erin de Zoeloes te verslaan. Ulmathoosi, Methlagazu, Ngobamabrosi, Muyamani, Amatonga… De opstelling klinkt bovendien als muziek. ‘Fascinating!’

Tot Jack Hunter, de beste Schotse voetballer van die tijd, zijn bond laat weten dat hij forfait geeft voor een interland: ‘Omdat ik die dag met de Zoeloes moet spelen.’ Blijkt dat het team helemaal niet uit Zuid-Afrikaanse krijgers bestaat, maar uit blanke voetballers die voor de wedstrijd hun gezicht en handen zwart maken met een beroete kurk. Ze dragen zwarte truien, lange broeken en kousen, en veren om hun hoofd en kralenkettingen zorgen voor de koloniaal-clichématige finishing touch. Vergeet Ulmathoosi en co, in werkelijkheid stonden de heren Hinchcliffe, Buttery, Herring, Malpas… op het veld.

De Zoeloes verslaan de Engelsen met 5-4. Consternatie alom. Iedereen wil die Afrikaanse wondervoetballers aan het werk zien…

Het lijkt op het eerste gezicht helemaal in de lijn van wat in die tijd – en nog lang daarna, tot ver in de 20ste eeuw – schering en inslag is in de Britse theaters. Best mogelijk dat bijvoorbeeld Othello in het gelijknamige stuk van Shakespeare een Moor is, de rol wordt vertolkt door een als zwarte vermomde blanke, punt. En toch is het veel te kort door de bocht te stellen dat rassenscheiding en dito discriminatie in het Britse voetbal pas gesloopt worden met de entrée van spelers als eerste zwarte Engelse international Viv Anderson, eind jaren 70, en later de generatie-John Barnes. De allereerste zwarte profvoetballer ooit komt namelijk al in 1882 naar het Oude Continent.

Arthur Wharton is geboren in 1865 in wat dat dan nog Jamestown heet, het huidige Accra (Ghana). Hij is vanuit de Britse kolonie naar het moederland gestuurd om er voor dominee te studeren. Maar in Engeland blijkt hij toch meer belangstelling en talent te hebben voor sport. Wharton ontpopt zich als een begenadigd wielrenner en cricketspeler, en vestigt en passant als atleet een nieuw wereldrecord op de 100 yard. Hij maalt de omgerekend 91,5 meter af in 10 seconden rond. Indrukwekkend, vinden ook de bestuursleden van diverse voetbalclubs, en vanaf dan combineert Wharton atletiek met een behoorlijk betaalde baan als doelman bij vandaag nog steeds bestaande clubs als Preston North End en – o ironie – Sheffield United.

Wharton is zo’n beetje de Jean-Marie Pfaff van zijn tijd. Op het veld zorgt hij voor spektakel. ‘In een wedstrijd tegen Rotherham ging Arthur bij een aanval plots aan de deklat hangen en hij ving de bal op tussen zijn benen,’ blikt een medespeler er later op terug in de Sheffield Telegraph & Independent. ‘Drie aanvallers van Rotherham waren zo verbijsterd dat ze domweg in het doel liepen.’

Arthur Wharton is de Jean-Marie Pfaff van zijn tijd: ‘Hij ging plots aan de deklat hangen en ving de bal op tussen zijn benen.

Het roept, net zoals bij Pfaff, heel wat controverse en tegenstand op. Met name bondsleiders en journalisten kunnen Whartons exuberante stijl niet waarderen. ‘Verstandige waarnemers zullen beamen dat het een nadeel is voor een ploeg als hij in het doel staat,’ schrijft een van hen in 1887 in The Athletic Journal. ‘Is deze darkie dan te dom om te begrijpen dat er tussen de palen geen plaats is voor vliegende grappenmakers?’ Wharton wordt ook nooit geselecteerd voor het nationaal elftal, en bij zijn club moet hij uiteindelijk zijn plaats onder de lat afstaan aan Willy Foulke. Een vent van 127 kilo die te lui is om de bal te gaan oppikken als die naast het doel belandt, het zegt genoeg.

Het gaat al snel helemaal bergaf met Wharton. In 1902 stopt hij met voetballen. Hij blijft nog een aantal jaren cricket spelen, maar daarna glijdt hij weg in doffe ellende. Zijn familie heeft hem al een tijd verstoten, omdat ze voetbal maar een vulgaire bedoening vindt. Veel centen heeft hij niet opzij gezet, en hij moet noodgedwongen aan de slag in een steenkoolmijn. In 1915 neemt hij dienst bij de Home Guards en hij vecht mee aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wharton komt terug als een gebroken man. Hij vlucht in de drank, belandt in de goot en in 1930 wordt zijn stoffelijk overschot gedumpt in een anoniem graf.

Het is bijna driekwart eeuw wachten op eerherstel. In het nieuwe millennium start een aantal vooraanstaande zwarte voetballers en mensen als Trainspotting-auteur Irvine Welsh en zanger Stevie Wonder een rehabilitatiecampagne op. In 2012 overhandigen vertegenwoordigers van de Arthur Wharton Foundation een schaalmodel van een standbeeld aan toenmalig FIFA-voorzitter Sepp Blatter. Het staat sindsdien permanent tentoongesteld in het hoofdkwartier van de wereldvoetbalbond. Twee jaar later volgt het ultieme eresaluut, met de plechtige onthulling van het levensgrote standbeeld in St George’s Park National Football Centre, het zenuwcentrum van de Engelse voetbalbond. Arthur Wharton is vanaf dan geen curiosum meer of een voetnoot in de voetbalgeschiedenis. Hij is een icoon in de strijd tegen racisme in het Engelse voetbal.

Andrew Watson (1874-1887) wordt de eerste niet blanke Cup Final-winnaar, international en clubbestuurder.

En toch hoort hier, tot slot, nog een nuancering bij. Het is namelijk niet zo dat zwarte voetballers in de 19de eeuw per definitie het slachtoffer worden van ingeburgerd koloniaal racisme. Wharton tekent als eerste een profcontract, maar voor hem is er al amateurvoetballer Andrew Watson (1874-1887). Hij is geboren in Brits Guyana, als zoon van een blanke plantagebaas en een zwarte slavin. Zijn vader stuurt hem naar Schotland om filosofie en wiskunde te studeren, maar net zoals Wharton vindt hij voetballen leuker. Watson wordt met Queen’s Park FC uit Glasgow de eerste niet-blanke speler die een trofee wint – de Schotse Beker – en de eerste international met een kleurtje in het Europese voetbal. Na zijn transfer naar de Engelse club Swifts wint hij ook de Cup Final, en na zijn carrière wordt hij de eerste niet-blanke clubbestuurder.

In tegenstelling tot voor Wharton in Engeland, is zijn afkomst in Schotland nooit een probleem. Als verslaggevers het al over kleur hebben, dan gaat het over Watsons bruine voetbalschoenen. Alle anderen spelen namelijk met zwarte. Een rehabilitatie is ook al niet nodig, want in 1880 al gaat hij als volgt het officiële jaarboek van de Schotse voetbalbond in: ‘Watson, Andrew: One of the very best backs we have; has great speed and tackles splendidly; powerful and sure kick; well worthy of a place in any representative team.’

Zo kon het dus ook. Toen al.

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.