De eigen maat

vrijdag 09/10

Ik sta op, ga ontbijten, poets mijn tanden en ga dan tegen mijn geluksmeter staan. Deze morgen haal ik 72. Straks, na het joggen of fietsen (gedurende resp. 30 of 75 minuten, meer is niet goed volgens de tabellen), meet ik mijn geluk nog eens. Wellicht haal ik dan 80, misschien zelfs 85. Vanavond, met mijn lief in de zetel, goeie film voor ons en een fles Chardonnay jaargang 2004 (statistisch gezien één van de betere de voorbije twee decennia), nog nagenietend van ons beider sportexploten en voorgenietend van wat ik hier onbenoemd laat, dan, in die context, en als ik nog eens aan mijn geluksmeter ga staan, dan haal ik zeker 90. 

sport en filosofie©Marc Van den Bossche
Te veel cijferen, cijfert de mens weg

Ik hoop en veronderstel dat u bovenstaande zinnen als onzin beschouwt. Waarom vertel ik zoiets onnozels? Wij lijken in onze hedendaagse cultuur nogal straf gefascineerd door cijfertjes en het berekenbaar maken van nogal wat van onze activiteiten. Wat we berekenen valt dan nagenoeg altijd onder de noemers van efficiëntie of rendement te vatten. Dat lijkt nu ook met onze sportactiviteiten te gebeuren. Dat lijkt me vaak een probleem. Te veel cijferen, cijfert de mens weg. Ik leg uit waarom ik dat denk.

Uiteraard heb ik alle respect voor wetenschappers en voor het kwantitatieve onderzoek dat zij verrichten. Tegelijkertijd meen ik echter ook dat meten slechts een beperkte vorm van weten oplevert. Als onderzoek vertelt dat we best ongeveer 150 minuten per week matig intensief aan sport doen, dan zal daar ongetwijfeld iets van aan zijn in een tijd waarin sommigen een taxi zouden bellen om de straat over te steken. Als ik lees dat die 150 minuten misschien wel eens als het maximum zullen worden gezien en dat méér, statistisch bekeken, dezelfde negatieve resultaten oplevert als een zittend leven, dan krijg ik een diepfilosofische kramp. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het schitterende boek van Christopher McDougall, De geboren renner, en hoe hij daar het verhaal vertelt van de Tarahumara-indianen. Die lopen gezamenlijk wel eens 48 uur aan een stuk. Ze hebben er negentigjarigen in huis die nog marathonlopen in de bergen aankunnen. En ze kennen nauwelijks gezondheidsproblemen die wij vaak en vooral als welvaartsziekten omschrijven. Hoe passen zij in dat wetenschappelijke plaatje van hierboven? 

En wat betekent dat eigenlijk, gezondheid meten? Eén van mijn lievelingsfilosofen, Hans-Georg Gadamer, publiceerde ooit een boek dat, letterlijk uit het Duits vertaald, de titel Over de verborgenheid van de gezondheid draagt. Doorheen de verschillende opstellen in deze bundel tekent Gadamer een beeld van de tendens tot beheersing van het menselijke lichaam, die volgens hem geen uitstaans meer heeft met onze eigen levenspraktijk, maar louter met techniek, met zogenaamd objectief bepaalde en berekenbare normen. De (medische) wetenschap draagt een weten in zich dat gericht is op het kunnen maken. Gadamer noemt het een wetende beheersing van de natuur. Het gaat hier niet om een weten dat voortkomt uit de praktijk van de levenssituatie en uit de context van het handelen, waar we leren uit eigen ervaring. Zijn stelling komt hierop neer dat we wel kunnen laten ‘meten’ wanneer we ziek zijn en dat die ziekte methodisch kan aangepakt worden, maar dat we, omgekeerd, die methodische gang van zaken niet kunnen gebruiken in onze persoonlijke zoektocht naar gezondheid. Die laat zich niet meten. Het gaat om 'mijn maat' die anders is dan die van anderen. Mag ik dat opentrekken naar de sportbeleving?

De oud-Griekse filosoof Plato maakte reeds een onderscheid tussen twee vormen van meten. En voor alle duidelijkheid: beide vormen zijn onontbeerlijk. Bij de eerste vorm gaan we met een maatstaf naar de dingen toe. Alle metingen hangen er af van die ene uniform gemaakte maat, de meter. Voor Plato gaat het hier om het poson, de kwantiteit. Bij de tweede vorm van meten, het poion, tracht men de juiste maat zelf vast te stellen. De kwaliteit van mijn ervaring van kunst bijvoorbeeld kan ik niet meten. 

"Om gezond te blijven, trachten we zelf een juiste weg te volgen, het oor te lenen aan wat ons lijf ons toefluistert. We passen dus niet louter regels toe."

Hans-Georg Gadamer verduidelijkt dit onderscheid tussen poson en poion verder aan de hand van wat we doen als we ziek zijn, enerzijds, en wat we doen om gezond te blijven, anderzijds. Bij een ziekte gaan we naar de dokter, die wellicht de ziekte kan beheersen met de maatstaven die haar of hem vanuit de medische wetenschap worden aangereikt. Om gezond te blijven, gaan we echter anders te werk. We trachten dan zelf een juiste weg te volgen, het oor te lenen aan wat ons lijf ons toefluistert. We passen dus niet louter regels toe. Te veel techniek, te veel regels, te veel methode zou het individu de flexibiliteit laten verliezen om hier zelf over te oordelen. En dat betekent voor Gadamer dat we aan vrijheid verliezen. 

De vrees, en de kritiek, van Gadamer luidt dat wij in onze technologische samenleving alles wel lijken te kunnen meten, maar dat we niet meer kunnen uitmaken wat gepast is. In het Nederlands gaat hier spijtig genoeg de woordspeling in het Duits verloren: Gadamer heeft het over das blosse Messen, enerzijds, en das Angemessene, anderzijds. We kunnen de volheid en rijkdom van onze lijfelijke ervaring niet vatten met genormeerde meeteenheden. Als we het hebben over harmonie met onszelf en met de wereld, hebben we voor Gadamer een ander vermogen nodig. Het louter meten laat ons niet toe te ontdekken wat gepast, angemessen, is. Ook hier zou het hedendaagse individu aan flexibiliteit kunnen verliezen, wat voor Gadamer beslissend is voor de omgang met onszelf. Hij vreest dat de overheersing van het louter technisch-methodische omgaan met onszelf en onze leefwereld er zou kunnen toe leiden dat we het vermogen kwijtspelen om te leren inzien wat gepast is, gepast voor ‘mij’, gepast voor ieder individu als individu.

Dat bedoel ik dus met het wegcijferen van de mens. Als sporthongerig individu in de specifieke context van mijn bestaan, heb ik geen boodschap aan statistieken. Wat voor mij passend is, heeft misschien vooral te maken met de kwaliteit van mijn ervaring. Of ik denk ook aan de roes van de sportbeleving. Misschien krijgt mijn lichaam er almaar meer zin in. Misschien breekt het af en toe graag eens uit de maat. En waarom zou ik mijn grens, mijn maat, door statistieken laten bepalen als ik voel dat intensief sporten de niet-meetbare kwaliteit van mijn leven ten goede komt?

 

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.