De grootste is niet meer

maandag 06/06

Wie die Parkinson dan wel was? Nooit van die bokser gehoord! Als een BW (Bekende Wereldburger) overlijdt, krijg je - naast de voorspelbare blijken van medeleven en de intense droefenis - ook flauwe grappen, misplaatst sarcasme en regelrechte bagger over je heen in de sociale media. Het was met de dood van Muhammad Ali, né Cassius Clay, niet anders.

Parkinson was dus geen bokser, maar een Engelse arts die begin 19de eeuw een hersenziekte vaststelde die langzaam de zenuwcellen doet afsterven. Te herkennen aan de ongecontroleerd bevende patiënten. De ooit zo fiere, kaarsrecht poserende Muhammad Ali hoorde die diagnose in 1984, kort na het einde van zijn bokscarrière. Op zijn tweeënveertigste. In de fleur van zijn leven, zoals dat normaal hoort te zijn. Geknakt, maar niet gebroken, al zagen we daarna in zijn schaarse publieke verschijningen vooral de patiënt aan het werk en niet de levende sportlegende, zoals hij verschrikkelijk bevend de olympische vlam aanstak in Atlanta (1996) of de Amerikaanse vlag droeg in Londen (2012). Zielige vertoningen, vond ik het. Een kampioen onwaardig.

In de fleur van zijn boksersleven, tussen zijn 25ste en 29ste, werd Ali geschorst: hij moest zijn licentie én zijn wereldtitel inleveren omdat hij weigerde te gaan vechten in Vietnam. Daar hoorde een korte celstraf, een lange ballingschap en een sportieve vernedering bij, zo vonden de Amerikaanse overheid én de boksautoriteiten. Dat hij een paar jaar voordien, in 1964, was toegetreden tot de niet altijd even vreedzame Nation of Islam van Elijah Muhammad en Malcolm X, en zijn 'slavennaam' Cassius Clay had omgedoopt tot het islamitisch correctere Muhammad Ali zullen ongetwijfeld ook een rol gespeeld hebben. "No Vietcong ever called me a nigger", beet Ali de pers toe, hengelend naar een reactie op zijn dienstweigering. In patriottische tijden wordt dat niet geapprecieerd.

"No Vietcong ever called me a nigger", beet Ali de pers toe, hengelend naar een reactie op zijn dienstweigering

Nog vroeger, in 1960 al, werd Ali, die toen nog Clay heette, in Rome olympisch kampioen bij de lichtzwaargewichten, op zijn achttiende. Terug in Amerika werd hij echter met zijn neus op de racistische feiten gedrukt: hij werd de toegang tot een restaurant ontzegd en gooide woedend zijn gouden medaille in de Ohio River. Een daad van verzet, maar ook van moedeloosheid, die kan tellen. Toen hij vier jaar later voor de wereldtitel bij de zwaargewichten mocht kampen tegen Sonny Liston, viel de 22-jarige Clay op door zijn branie. In de opbouw naar de kamp deelde hij figuurlijke plaagstoten uit. Verbaal. Hoewel Liston de topfavoriet was - sommigen verwachtten een afstraffing - aarzelde Clay niet om hem te beledigen met spitse rijmpjes, als rapper was hij zijn tijd ver vooruit. En dan won hij nog, ook.

Legendarisch werd Muhammad Ali pas na zijn terugkeer in het boksen. Eerst verloor hij in 1971 nog 'the fight of the century' van Joe Frazier, daarna triomfeerde hij in 'the rumble in the jungle' tegen George Foreman (1974) en 'the thrilla in Manila' tegen, opnieuw, Joe Frazier (1975). Als knaap van 15, 16 stond je daar 's nachts voor op. Boksen stelde nog iets voor. Er was één wereldkampioen per gewichtscategorie, er was één bond die ertoe deed, de WBA. Vandaag zie je door het internationale boksbondenbos de wereldkampioenenbomen niet meer.

Boksen stelde nog iets voor in de jaren 60 en 70. Er was één wereldkampioen per gewichtscategorie, er was één bond die ertoe deed, de WBA. Vandaag zie je door het internationale boksbondenbos de wereldkampioenenbomen niet meer

In de kampen tegen Foreman en Frazier, twee bruten met een geweldige punch, moest Ali het hebben van zijn intelligentie. Hij bokste verdedigend, ging gewillig in de touwen wachten op een slagenregen, wetende dat zijn tegenstanders zich zouden afmatten. Maar die regen aan punches zou later zijn tol gaan eisen. Wellicht moeten we daar de oorzaken van zijn Parkinson gaan zoeken en was die Parkinson uiteindelijk dan toch een bokser.

Laten we niet flauw doen: Muhammad Ali was de grootste bokser aller tijden. Uiteraard vanwege zijn prestaties in de ring, maar ook door zijn attitude ernaast. "Float like a butterfly, sting like a bee", deed hij overal waar hij passeerde en onveranderlijk een diepe indruk naliet. Zijn bravoure, zijn maatschappelijk engagement, zijn doordachte standpunten, zijn hele persoonlijkheid waren ongezien: hij was uniek. Toen, en ook nu nog. Hij is een van die zeldzame figuren die zijn sport oversteeg en zich niet beperkte tot nietszeggende antwoorden op nietszeggende vragen. Daarom durf ik hem ook, zonder aarzelen, de grootste sportman aller tijden noemen. Meer dan Carl Lewis, Michael Jordan, Pelè of, godbetert, Eddy Merckx was hij ook belangrijk náást het sportterrein.

"Hij die niet moedig genoeg is om risico's te nemen in het leven, zal niets bereiken", was een van zijn gevleugelde uitspraken. Muhammad Ali heeft veel bereikt, héél veel. So long, champ.

 

Zijn bravoure, zijn maatschappelijk engagement, zijn doordachte standpunten, zijn hele persoonlijkheid waren ongezien: hij was uniek. Toen, en ook nu nog

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.