De Grote Duivels

Over de kommer en kwelperiode van onze nationale ploeg

woensdag 25/05
©Isosport

Onderstaande tekst komt uit hoofdstuk 1 van 'De Grote Duivels'. De context: op 25 april 1976 moet België het in de kwartfinales van het EK opnemen tegen het onvermijdelijke Nederland van Cruijff, Rensenbrink en Neeskens, vice-wereldkampioenen, uitvinders van het Totaalvoetbal, welllicht op dat ogenblik het beste nationale elftal ter wereld. Wie de dubbele confrontatie wint, mag twee maanden later naar het échte Europees Kampioenschap in Joegoslavië, met amper vier deelnemende landen. Het zal de laatste wedstrijd onder bondscoach Raymond Goethals worden, daarna neemt Guy Thys de fakkel over en beginnen drie jaar van tasten, zoeken en vloeken voor de in die dagen Witte Duivels, waarna alles in zijn plooi valt na de terugkeer van Wilfried Van Moer. In het boek grasduinen de auteurs eerst in de archieven op zoek naar wedstrijdverslagen, interviews en analyses van toen, daarna laten ze de betrokkenen zelf aan het woord zoals die zich de feiten vandaag herinneren. Hieronder hebben ze het over de ontluisterende prestatie in Rotterdam.

De puinhoop

 

Een blauwtje lopen tegen Oranje, zo zou je de 5-0 afstraffing in De Kuip nog het best kunnen samenvatten. Een blauwtje, maar dan letterlijk, loopt ook rechtermiddenvelder Julien Cools. 'Ik kreeg in een duel een elleboogstoot van Neeskens,' zegt de 35-voudige international veertig jaar na datum. 'Nu zou dat onmiddellijk rood zijn, toen niet. Ik had waarschijnlijk een lichte hersenschudding, zag alles dubbel. Al wat ik zag waren Van de Kerkhofs! (lacht) Tijdens de rust werd ik vervangen.'

De 'gelukkige' die de tweede helft mag aanvatten is Swat Van der Elst. 'Toen was het kalf al verdronken. Het is altijd interessanter als je kunt invallen in een ploeg die draait en goed voetbal speelt. Dat was daar niet het geval: we gingen compleet af. Als jonge gast is dat niet plezant. Je gaat zelf mee ten onder, je raakt niet in je spel, maakt verkeerde keuzes, wordt weinig aangemoedigd door de meer ervaren spelers.'

Ook Eric Gerets vindt dat hij als jonkie van net geen 22 flink in de steek wordt gelaten. 'Ik heb alleen maar slechte herinneringen aan die wedstrijd. Het gevoel dat ik eraan overhoud is dat Gille Van Binst, die toen centraal in de verdediging werd opgesteld, niet van plan was om mijn bedje te spreiden. Niet dat hij mij bewust heeft laten vallen, dat zeker niet, maar hij had mij meer kunnen helpen om Cruijff en Rensenbrink af te stoppen. Die kwamen constant vanaf de linkerflank aanzetten. Ik zat gevangen tussen die twee, om het zacht uit te drukken. Ergens kan ik het wel begrijpen, want Rensenbrink speelde toen voor Anderlecht en was een ploegmakker van Gille én de grote ster van de ploeg. Maar het was niet prettig dat we zo op een hoopje werden gespeeld.'

'In doel stond Piot op één been te keepen omdat Goethals liever een halve Piot dan een hele Pfaff opstelde' - Gilles Van Binst

'Zegt Eric dat ik hem in de steek heb gelaten?' vraagt Gille Van Binst laconiek, als we hem met de uitspraak van de rechtsback confronteren. 'Dat was dan zeker niet opzettelijk. Het was mijn eerste match als libero, de Nederlanders kwamen van alle kanten die namiddag. Cruijff, Rensenbrink, Rep, Neeskens, een wereldploeg. In doel stond Piot op één been te keepen omdat Goethals liever een halve Piot dan een hele Pfaff opstelde. En Goethals wou toen per se aan de pers bewijzen dat hij geen defensieve trainer was. Juist tegen Olland... We gingen eens laten zien wat we konden. Het resultaat was ernaar.'

'Als je internationale loopbaan zo begint, kan die beëindigd zijn nog voor ie goed en wel van start is gegaan,' mijmert Gerets, al weet hij intussen beter: hij zal in totaal liefst 86 interlands spelen. Op dat moment is er echter vooral twijfel. 'Je stelt jezelf honderdduizend vragen. Nadien is alles gelukkig in een stroomversnelling gekomen, mede dankzij Guy Thys.'

 

Voorstopper Georges Leekens wordt evenmin vrolijker van zijn tweede van drie interlands. 'Een overrompeling. Veel spelers bij ons zaten aan het einde van een cyclus, zij stonden op de top van de wereld. De hele wedstrijd kwamen we telkens twee stappen te kort.' Leekens heeft een voet, of beter: een hand, in het vierde Nederlandse doelpunt, wanneer hij een gemaakt doelpunt ostentatief vanonder de lat wegduwt. 'Nu zou dat direct rood zijn, toen kreeg je zelfs geen kaart voor een handsbal. Dus was het gewoon slim om die bal uit het doel te duwen.' Het helpt niet, want Neeskens zet de strafschop gewoon om.

'De harde verdedigers van Nederland? Daar mag ik niet over klagen: als je geen ballen krijgt, krijg je ook geen stampen, hé' - Raoul Lambert

Aanvoerder van het Belgisch elftal is die trieste namiddag Raoul Lambert, stilaan fin-de-carrière bij de nationale ploeg. 'Verliezen is nooit prettig, maar dat was toch héél erg. Spelers als Cruijff en Rensenbrink, die vind je niet overal. De harde verdedigers van Nederland? Daar mag ik niet over klagen: als je geen ballen krijgt, krijg je ook geen stampen hé.' Net als doelman Piot wordt Lambert die namiddag met een blessure het veld opgestuurd. 'Ik speelde die wedstrijd met een gebroken teen. Michel D'Hooghe, die toen clubdokter van Club Brugge was, is nog meegegaan om mij vlak voor de wedstrijd een inspuiting te geven. Je voelt dat niet zo'n blessure, omdat je verdoofd bent.' Er volgt meteen een verklaring waarom hij zo vaak in de lappenmand heeft gelegen. 'Ik heb in mijn carrière nooit de kans gehad om volledig te genezen. Op training ging het nog, maar als ik tijdens een match vol voor de bal ging, herviel ik in mijn blessure. En altijd opnieuw: spuitjes, spuitjes, spuitjes. Maar ja, ze hadden toen te weinig spelers.'

Er is nog een ander heikel punt dat achteraf ter sprake komt. 'Toen ik in de tweede helft op de bank zat en aan mijn neus kwam, sprong er ineens een bol bloed voor mijn ogen,' blikt Julien Cools terug. 'En drie dagen nadien moesten we met Club Brugge de finale van de UEFA Cup spelen in Liverpool. Achteraf beweerde Goethals dan nog dat die mannen van Brugge zich niet genoeg hadden ingezet. Hij vergat dan even dat de Nederlandse ploeg in die tijd onklopbaar was, met een weergaloze Rensenbrink op links, Cruijff, Rep, enzovoort. Vandaag lees je dat ook weleens in de pers: dat spelers zich inhouden met een belangrijke match in het vooruitzicht. Ik geloof daar niet in. Ik heb mij altijd 100 procent gegeven.' Gille Van Binst is niet overtuigd: 'De helft van de ploeg bestond toen uit spelers van Club Brugge. Vóór de match had Ernst Happel met hen samengezeten in de Kuip. Ik kan het niet bewijzen, maar we hadden de indruk dat ze niet voluit zijn gegaan. Motiverend was het in elk geval niet.'

Eén international is op dat ogenblik wellicht blij dat hij de vernedering niet meer moet ondergaan. Wilfried Van Moer is nog altijd 'maar' 31, maar de drievoudige Gouden Schoen is dan al een tijdje met zijn carrière ná het voetbal bezig. Zijn hoofdberoep is cafébaas. ‘Ik heb vier jaar na elkaar een been gebroken: twee keer een kuitbeen, twee keer een scheenbeen. En dan nog elke keer mijn sterkste been, rechts, en in mijn sterkste jaren, tussen mijn 25ste en mijn 29ste. Ik vreesde dat ik als invalide zou eindigen. Daardoor miste ik heel wat interlands. Na de 5-0 in Nederland, waar ik door een blessure ook niet bij was, werd er beslist om een aantal spelers te vervangen. Ik was er één van. Nieuwe trainers, nieuwe bezems.’ Van Moer kan er wel mee leven. ‘Ik ging een paar maanden daarna van Standard naar Beringen, een klein ploegske dat tegen de degradatie vocht. En op mijn negenentwintigste -toen ik nog in Luik zat- was ik een zaak begonnen in Hasselt, de Wembley, waar al mijn aandacht naartoe ging. De combinatie profvoetbal-cafébaas was al snel niet meer houdbaar, zeker omdat de zaak vanaf het begin goed marcheerde, wat betekent dat je er regelmatig én laat in staat. Bij Beringen moest ik maar om vijf uur ’s avonds gaan trainen, dat kwam mij veel beter uit. Daar zaten alleen maar amateurkes die overdag in de mijn werkten, plus een paar buitenlanders en ik. Ik had er zelf voor gekozen om op een lager niveau te gaan voetballen, ik heb daar nooit spijt van gehad. Voetbal was bijzaak op dat moment, mijn café was mijn hoofdinkomen, daar verdiende ik mijn kost mee. Ik was in feite elektrieker van beroep, daar wilde ik niet terug naartoe.’

Op dat ogenblik denkt Van Moer dat de nationale ploeg definitief verleden tijd is.

 

Geert De Vriese & Frank Van Laeken, 'De Grote Duivels - Het volledige verhaal achter het EK 1980', Houtekiet, €19,99.

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.