De hoogste berg van Vlaanderen ligt in Frankrijk

De geheimen van de Mont Ventoux

maandag 13/06

Zoals de Nederlanders Alpe d’Huez claimen, zo beschouwen de Vlamingen de Mont Ventoux als hun eigendom. Deze week trekken colonnes auto’s met een fietsenrek vanuit heel Vlaanderen naar de Provence om zaterdag onder commando van Sporta de aanval op deze legendarische Tourcol in te zetten. Maar waarom oefent de Mont Ventoux zo’n grote aantrekkingskracht op ons uit? Je kunt hem immers bezwaarlijk bestempelen als de meest aanlokkelijke fietsberg.  

Het minste wat je over de Ventoux kunt zeggen, is dat hij een januskop heeft. Het ene moment werpt hij zich op als een joviale gastheer die er alles aan doet om de fietsers te verwennen, een poosje later kruipt hij in de gedaante van een nietsontziende snoodaard die er een duivels genoegen in schept om zijn bezoekers te belagen met alle plagen van Egypte.

Vooral zijn temperatuurschommelingen vormen zijn meest geducht wapen. Van bloedheet tot barkoud in een paar uur. En eens hij zijn duivels ontbindt, laat hij winden die met snelheden van boven de 200 km/u langs zijn flanken razen.

Af en toe draagt de Ventoux een hoed van wolken. Net een aureool, maar in feite is dit een slecht voorteken dat het ontwaken van de god van het kwaad aankondigt. En oh wee wie op dat moment ergens in de buurt vertoeft. De hele voorraad van meteorologische verschijnselen wordt dan uit de kast gehaald, van een bombastisch klank- en lichtspel tot een erwtensoepmist waarin geen steek valt te ontwaren. Volgens de statistieken is de top meer dan 200 dagen per jaar gehuld in een dik nevelgordijn.

Maar zodra de rook rond zijn kletskop is verdwenen, doemt er een onmetelijk vergezicht op die geen enkele andere berg kan bieden. Het panorama boven is bij helder weer ronduit indrukwekkend. In het zuiden kijk je dan uit op de vlaktes van de Vaucluse en de Lubéronketen, in het zuidoosten zie je de adembenemende Gorges de la Nesque. Aan de andere kant ontwaar je de pieken van het Massif des Ecrins, maar ook de wondermooie valleien van de Rhône en de Cévennes. Met wat geluk ontwaar je in de verte de Pyreneeën.  

Nochtans is de Mont Ventoux met zijn top op 1.909 meter in vergelijking met andere Tourgiganten niet verschrikkelijk hoog. Hij is de laatste berg van de Alpen voor het landschap overvloeit in het Rhônedal. Bovendien is er in zijn buurt nergens een hoge piek te bespeuren. Hij is een eenzame, verdwaalde bult, verheven boven de uitgestrekte Provençaalse vlakte. Daardoor is hij mijlenver vanuit elke windrichting te bewonderen.

Volgens de statistieken is de top meer dan 200 dagen per jaar gehuld in een dik nevelgordijn

Vooral zijn kale kop valt op. De klim mondt op vijf kilometer van de top uit in een desolaat landschap met alleen maar witte keien, die onmiskenbaar de indruk wekken dat je je op de maan bevindt. Het is Provençaalse kalksteen die door eeuwenlange vrieskou werd gespleten. Helemaal boven, op zijn kruin, staat een meteorologisch observatorium met radio- en tv-antennes en luchtvaart- en militaire radars. Deze infrastructuur versterkt de impressie dat men in een maanlandschap vertoeft. Tot zo’n tien jaar geleden had het Franse leger de top in bezit. In onderaardse bunkers stonden er kernraketten opgesteld, die allemaal richting Sovjet-Unie wezen. Met het verdwijnen van de Koude Oorlog verdwenen ook de raketten. 

De groene hel                                                                                  

Vanaf de voet tot de steenwoestenij biedt de Mont Ventoux een botanische potpourri van geuren en kleuren. Opvallend daarbij is het grote contrast tussen de noord- en de zuidkant. Langs het noorden is de berg merkbaar getekend door de hevige mistrals. Er bevinden zich vooral naald- en loofbossen. De zuidkant is droger en veel meer door de mens gecultiveerd, getuigen de fruitboomgaarden rond Bedoin en de wijngaarden langs de weg naar Saint-Estève. Maar ook op deze flank heb je een gigantisch, merkwaardig woud. Wie van Bedoin naar ‘Le Chalet Reynard’ rijdt, passeert noodgedwongen gedurende een goeie tien kilometer de beruchte ‘Groene Hel’. De zwarte asfaltweg is geflankeerd door bomen en struiken. Mooi, dat wel, maar oh zo meedogenloos. Vooral de warmte die in deze tunnel van lover blijft hangen en de zwermen insecten die er heersen, maken van deze strook een ware kruisweg.

Deze bebossing op de Mont Ventoux is tamelijk recent, van eind negentiende eeuw. Voordien was de berg nagenoeg geraseerd. Het hout werd gebruikt voor verwarming en voor economische activiteiten als scheepsbouw en ijzergieterij. Hevige natuurbranden in 1875 zorgden uiteindelijk voor een algehele kaalslag, waardoor de ooit zo statische berg de allure van een zielige, gestroopte bergpuist kreeg.

Vanaf de voet tot de steenwoestenij biedt de Mont Ventoux een botanische potpourri van geuren en kleuren.

Maar de verdwijning van de begroeiing kende ook rampzalige gevolgen. Bij elke regenbui stroomde het water als een kolkende rivier naar beneden en zette de dorpen blank. Om dergelijke catastrofes te vermijden lag er slechts één oplossing voor de hand: weer bomen planten. De keuze viel op de Afrikaanse ceder en de Oostenrijkse den, twee boomsoorten die niet in Frankrijk thuishoren, maar op de grillige Ventoux heel goed gedijen. Tevens werden er twaalfhonderd verschillende plantensoorten aangeplant, waaronder zestig uiterst zeldzame.

Het hele natuurdomein bestrijkt momenteel een oppervlakte van meer de 6300 ha. Door de rijke variatie en het uitzonderlijke karakter werd het gebied in 1990 als natuurreservaat geklasseerd. Meer nog, vier jaar later werd het door de UNESCO officieel als werelderfgoed erkend.

 

Tragiek

De mythische uitstraling en het charisma van de Mont Ventoux heeft uiteraard veel te maken met de legendarische prestaties die wielrenners er hebben geleverd.

In 1951 nam de toenmalige Tourdirecteur Jacques Goddet de Kale Berg voor het eerst in het etappeschema op. Eerder diende hij al als decor van autorally’s. Vanaf 1902 werd hier het Franse kampioenschap ‘bergrijden’ georganiseerd. Volgens de overleveringen haalden sommige wagens de top niet, omdat de motor bij gebrek aan zuurstof dienst weigerde.

Na de Tour in ’51 prijkte de Ventoux tot op heden slechts vijftien keer op het programma. Onder meer Merckx, Gaul, Pantani en Virenque oogstten er succes. Maar toch blijft de onverbiddelijke reus van de Provence onlosmakelijk verbonden met een renner die de top niet bereikte. In 1969, op een snikhete vrijdag de dertiende,  liet de 30-jarige Britse renner Tom Simpson op de zuidflank het leven. 

Een sobere gedenksteen herinnert aan het drama. Voor wielertoeristen uit alle landen ter wereld werd die vierkante meter des doods van de ene dag op de andere een bedevaartsoord dat Lourdes naar de kroon steekt.  

Eddy Merckx

Ook Eddy Merckx weet hoe genadeloos de Kale Berg wel is. In 1970, tijdens de veertiende Touretappe klom een ontketende Kannibaal solo naar de top. Onderweg, toen hij het gedenkteken van Simpson passeerde, nam hij zijn petje van het hoofd om eer aan de gestorven collega te betonen. Op dat moment, met nog een kilometer voor de boeg, had hij tweeënhalve minuut voorsprong. En dan plotseling, even onverwacht als onbegrijpelijk, stortte hij in. Kreunend, harkend en zwetend sleepte de kampioen zich doorheen het maanlandschap. Toen hij de finishlijn overschreed, kon hij nog maar één ding uitbrengen. ‘Ik kan niet meer…’ Minder dan een minuut later arriveerde Lucien Van Impe als tweede.

Ook Eddy Merckx weet hoe genadeloos de Kale Berg wel is

Toch doen we de Provençaalse Reus onrecht aan als we zijn populariteit louter toeschrijven aan de vele epische Tourverhalen of getuigenissen van wielerkampioenen. Zijn flanken waren al eerder bezaaid met veel tragiek en heroïek. Een van de eerste minnezangers van de ‘Mons Ventosus’ is de Italiaanse dichter en prozaïst Francesco Petrarca (1304-1374). Op 26 april 1336 was hij een van de eersten die toen haast ontoegankelijke berg bedwong. Heet van de naald doet de ‘vader van het alpinisme’ nog in dezelfde nacht verslag aan zijn vriend kardinaal Francesco Dionigi. Op een merkwaardige manier beschrijft hij uitvoerig en puntig de voorbereiding van zijn moedige tocht, de moeizame bestijging van de ‘windberg’ (én zijn vele onhandigheden daarbij), zijn innerlijke bewogenheid bij het staan op de top met het weidse uitzicht, én van zijn gedachten en overwegingen tijdens de afdaling in stilzwijgen. De verslaggeving van Petrarca wordt beschouwd als het prille begin van de sportjournalistiek.

Sindsdien is de ‘Mons Ventosus’ ontelbare keren in gedichten, verhalen en boeken beschreven, bezongen en verguisd. Tot de televisie de verbeeldingskracht voor de voeten begon te lopen, was deze kale berg een kapstok voor verhalen die mondeling overleefden en werden aangedikt. En zo verging het, in de jaren dat alleen radio en kranten de fantasie bespeelden, ook de verhalen over de wielrenners die schroomvol over die berg werden gejaagd. In de voorjaarsronde Parijs-Nice maar tot halfweg, want in maart ligt hogerop nog sneeuw; in de Dauphiné Libéré en de Ronde van Frankrijk tot 1.909 meter hoogte.

Nu de wereld nog maar een zakdoek groot is, zou je verwachten dat de legende verbleekt. Niets is minder waar. Elk jaar bezoeken duizenden toeristen de regio en nemen honderden in Malaucène, Bedoin of Sault de bocht die hen als in een roes doorheen het maanlandschap naar –zoals Petrarca schreef- het einddoel van alles, het einde van de weg leidt. Daar ligt zaterdag de bestemming van de bijna 3.000 Sporta-deelnemers.

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.