Dodentocht

zondag 11/08

Eigenlijk had ik deze column de titel 'De dood rijdt mee' willen meegeven, maar dat zou iets té cliché geklonken hebben. Al heeft die uitspraak wel alles met het huidige wielrennen te maken. Geen enkele sport is onveiliger momenteel, zo vertelden zowel (ex-)wielrenners, ploegleiders en deskundige waarnemers na de plotse dood van Bjorg Lambrecht, gevallen tijdens de derde rit van de Ronde van Polen. Brute pech, zo luidt de conclusie: hij kwam met een smak op een duiker langs de kant van de weg terecht, met een gescheurde lever tot gevolg. Zelfs als het ziekenhuis op die plek naast het parcours had gestaan, zou Lambrecht het niet overleefd hebben, werd gezegd.

Tweeëntwintig, het is een leeftijd om te beginnen, niet om te sterven. Renners van tweeëntwintig moeten de stiel nog leren, ervaring opdoen, zich voor het eerst meten met de routiniers. Tenzij je Remco Evenepoel heet en een fenomeen bent. Bjorg Lambrecht was iets minder fenomeen dan zijn collega van negentien, maar iedereen dichtte hem een interessante toekomst toe. De naam van Lucien Van Impe viel weleens in een journalistieke bijdrage waarin het over Lambrecht ging, dan weet je dat wielerfans beginnen te dromen van een Belgische Tourzege, meer dan veertig jaar na de vorige.

1976: die hete zomer, weet u nog wel. 2019 was ook eventjes zo'n hete zomer. De Tour was spannend, een generatiegenoot van Lambrecht won 'm, wij trokken ons op aan Belgische ritzeges en Evenepoel achteraf. Tot die fatale vijfde augustus. Rybnik hoort niet op een Vlaams rouwprentje te staan als plaats van overlijden. '1997-2019' nog veel minder. We beleven weer een Monseré-moment, het grote talent dat sinds 15 maart 1971 ook voor altijd tweeëntwintig is, zij het dan wel met een regenboogtrui om het lijf.

Slimme mensen die niets van wielrennen begrijpen, pleiten voor airbags, niet beseffende dat elke extra gram er een te veel is voor een coureur. Anderen vinden gesloten circuits de oplossing. Zij dwalen

Niet de laatste

Dat Bjorg Lambrecht een grote toekomst leek tegemoet te gaan, doet in feite niet ter zake. Er is een renner gestorven, het maakt niet uit of hij een nobele onbekende knecht was, dan wel de vierde in de Waalse Pijl, de vijfde in de Brabantse Pijl, de zesde in de Amstel Gold Race en de beste jongere in het Criterium du Dauphiné, ex-Dauphiné Libéré, van dit jaar. Het aantal krantenpagina's dat aan het drama besteed werd, was een pak groter dan toen Antoine Demoitié drie jaar geleden tijdens Gent-Wevelgem werd aangereden door een motard. Dat het slachtoffer Nederlands sprak of meer talent had dan een even ongelukkige collega, is ondergeschikt aan het feit dat Lambrecht niet de eerste is en — excuus voor de lugubere voorspelling — wellicht ook niet de laatste.

Het wielrennen zit met een probleem en het dateert niet van vorige maandag. Slimme mensen die niets van wielrennen begrijpen, pleiten nu voor airbags, niet beseffende dat elke extra gram er een te veel is voor een coureur. Anderen vinden gesloten circuits de oplossing. Zij dwalen. De wegkoers verplaatst zich van punt A naar punt B. Tradities zijn er doorgaans om desnoods aangepast te worden, maar deze traditie moet beschermd worden. Wielrennen staat dicht bij de mensen. Haal die nabijheid weg en de koers trekt geen volk meer. Maak er een gesloten circuit van en de tv-kijker haakt af. Doe die twee domme dingen tegelijk en de sponsors kiezen voor een andere sport. De koers is gedoemd om het volk op te zoeken.

De Formule 1 heeft haar kwalijke veiligheidsreputatie aangepakt, het wielrennen allesbehalve

Veilige Formule 1

Vraag is dan: moet het zo risicovol blijven? Sinds de dodelijke val van de Italiaan Fabio Casartelli in de afzink van de Portet d'Aspet, vierentwintig jaar geleden, zijn er elf wielerdoden gevallen, Casartelli inbegrepen. Daar reken ik de overlijdens door een hartstilstand, door een ongeluk op training of op de piste niet bij. Geen Michael Goolaerts, Kristof Goddaert of Isaac Gálvez, dus. Na de dood van de Kazakh Andrej Kivilev in Parijs-Nice van 2003 werd de valhelm verplicht. Ondanks dat noodzakelijke en onmisbare beschermmiddel vielen er sindsdien nog vijf dodelijke slachtoffers. Vóór Casartelli waren het er tweeënveertig in tweeënnegentig jaar. Gemiddeld komt dat sinds 1903 neer op één dode per 2,2 jaar. De piste is veiliger geworden, de weg niet.

Formule 1 maakte een omgekeerde beweging door. Na de crash van Ayrton Senna op het circuit van San Marino, 1 mei 1994, overleed slechts één rijder: Jules Bianchi in 2014. De dood van de drievoudige wereldkampioen, een van de beste racers uit de geschiedenis, was een definitief keerpunt. Heel anders ging dat in de decennia voordien. Zelfs als we de test- en kwalificatieritten van de Formule 1 en de Indianapolis 500 buiten beschouwing laten, een waar kerkhof in de jaren 50, vielen er in de jaren 50 vier doden, in de jaren 60 zeven, in de jaren 70 vijf, in de jaren 80 en 90 drie. Zijn er andere sporten waarin de wereldkampioen postuum werd gehuldigd, zoals Formule 1-rijder Jochen Rindt in 1970 overkwam?

Er wordt steeds sneller gereden in de Formule 1, net als in het wielrennen. De wagens zijn een voorbeeld van technisch vernuft, net als de fietsen. Toch heeft de Formule 1 haar kwalijke veiligheidsreputatie aangepakt, het wielrennen allesbehalve. Dat geeft te denken.

In de deze zomer veelvuldig opgerakelde Tour van 1969 mochten er 130 deelnemers starten. Dat zou moeten volstaan

Minder! Minder! Minder!

Moeten we dan fatalistisch afwachten tot er weer een jongeman op twee wielen om de verkeerde redenen de headlines haalt en een 'Breaking news'-kadertje op televisie verdient? Ik hoop van niet. Want los van de onrealistische oplossingen die techneuten aanreiken, kan er wel degelijk iets aan gedaan worden. Zorg ervoor dat er minder renners in een koers rijden, bijvoorbeeld. Kies alleen voor brede, veilige wegen. Breid de koers niet oneindig uit tot oorden waar de veiligheid niet gegarandeerd kan worden en waar ze dat wielrennen alleen als entertainment zien. Leg wedstrijden stil als de omstandigheden onverantwoord zijn, zoals recent nog gebeurde in de Tour, toen een modderstroom de afzink van de Col de l'Iseran onberijdbaar maakte.

Er waren tijden dat een valpartij in het slot van een Touretappe gespreksstof voor dagen bood. Tegenwoordig wordt er vol verbazing gepraat over vlakke ritten waarin geen enkele renner in de slotkilometers kennismaakt met het asfalt. Dat fatalisme moet eruit. Wielrennen moet de nadruk leggen op kwaliteit, niet op kwantiteit. Minder wedstrijddagen, minder deelnemers, minder motards. In de Tour hebben ze dit al gedeeltelijk begrepen: de voorbije twee edities reden er 176 renners mee, in 2017 waren dat er nog 198. In de deze zomer veelvuldig opgerakelde Tour van 1969 mochten er 130 deelnemers starten. Dat zou moeten volstaan.

Inperken van het deelnemersveld zou een deel van de oplossing kunnen bieden. Strengere sancties voor renners die gevaarlijke maneuvers uithalen in een koers eveneens. Of nog: op gevaarlijke plekken in het parcours, een afdaling van een col bijvoorbeeld, stootkussens aanbrengen in de bochten, of andere materialen die een val kunnen afremmen.

De onfortuinlijke Bjorg Lambrecht wordt dinsdag in Knesselare begraven. Voor hem komen alle maatregelen te laat, maar alleen al ter zijner nagedachtenis en met het oog op het vermijden van haast voorspelbare fatale ongelukken in de nabije toekomst, moet het wielrennen zich eens heel diep bezinnen.

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.