Franky Van der Elst

Voetballer wordt fietser

maandag 09/10
©isosport

Het interview is amper drie minuten bezig als Club Brugge-icoon Franky Van der Elst zijn bankkaart bovenhaalt waarop een foto van een groepje wielrenners is afgedrukt.

“Kijk, hier zie je Willy Wellens. Kurt Van Laere (voormalig journalist, nvdr.) was onze Lomme Driessens (lacht). En dit is onze ‘Kolonel’, een vriend van Gert. Bram Lambert (voetbalcommentator, nvdr.) is er ook nog bijgekomen. De foto is genomen bij de beklimming van Alpe D’Huez. Tja, als je met een groepje bent, slaat het zot snel in de kop en dan begin je cols op te rijden. Sinds een paar jaar doen we dat niet meer, omdat het moeilijker wordt om allemaal samen tegelijk tijd vrij te maken. Dit jaar heb ik vaak alleen gefietst, maar naar mijn gevoel wel veel én met goesting.”

©isosport

Je fietst geregeld samen met Gert Verheyen. Zijn jullie mekaar waard?

“Gert kan beter fietsen. Gert zei: ‘In het begin is de Fox altijd beter dan ik, maar dat duurt maar twee weken.’ Gert kan heel goed ergens de focus op leggen. In het begin van het jaar zit hij in mijn wiel - dat vind ik niet zo erg, ik vind het al fijn als ze een keer in mijn wiel zitten (lacht) - maar na een paar keer wordt hij sterker. Dat heb je over het algemeen wel met fietsen: je wordt snel beter. De Caje is ook een hele plezante om mee te fietsen, want die wil altijd aan de leiding rijden. Dan denk ik: ja, doe maar, hé (lacht).”

"De Caje is een hele plezante om mee te fietsen, want die wil altijd aan de leiding rijden"

Hoe lang fiets je al?

“Ik ben niet meteen na mijn spelerscarrière beginnen te fietsen. Als trainer voelde ik mij mentaal niet klaar om buiten het voetbal nog iets anders te doen. Ik ben eigenlijk beginnen te fietsen op het moment dat Gert (Verheyen, nvdr.) is gestopt met voetballen. We kochten hem toen met een aantal vrienden als cadeau een koersfiets, omdat hij eens had laten vallen dat hij dat wou doen. Hij zei tegen mij: ‘allez, Fox jong, zou je ook geen fiets kopen?’ Dus we zijn dan samen wat gaan fietsen met Marc Degryse en nog een paar andere.”

“Sinds kort fiets ik mee in een groepje van oud-KSA’ers. In het begin hing ik achteraan en dan moet je na elke bocht optrekken. Maar nu ga ik als tweede of derde de bocht in en dat is veel gemakkelijker. Koersen is meer dan alleen hard stampen, dat voel je als je eens in groep gaat rijden. Sinds ik fiets, geef ik dan ook geen commentaar meer op renners. Ik heb alleen nog maar bewondering.”

 

Op Strava, het sociale mediakanaal waarop je fietsroutes- en prestaties kan delen, verscheen onlangs een rit van jou in Lombeek, je geboortestreek.

“Ja, ik fiets normaal vooral in de buurt van Brugge. In Lombeek is het meer bergop, kort en steil. Ik was bij mijn vader op bezoek en ik wou absoluut die hellingen eens doen, omdat ik daar als kleine jongen vaak op gereden heb. Ik wou dat gevoel nog eens ervaren en de schoonheid van het Pajottenland zien. Eigenlijk is het plezanter fietsen dan in de polder. Om aan de 500 hoogtemeters van in Lombeek te komen, moet ik in Brugge de hele zomer rijden. Ik heb in Lombeek net geen twee uur gefietst en ik was content. Ik had negen dagen met de U19 in Finland gezeten – wat als assistent-trainer voornamelijk opstaan is, ontbijten, trainen, eten, trainen, eten … en ’s avonds nog iets drinken aan de bar. Op een wedstrijddag zit je soms aan vier keer eten en met soms een wijntje of een pintje moet je opletten voor de kilo’s, want je doet fysiek niet zoveel. Dus ik voelde het wel dat ik twee weken niet had gefietst.”

“Een tijdje geleden woog ik ’s ochtends 80 kilo – ik passeer dagelijks de weegschaal, ik moet eigenlijk meer moeite doen om er niet dan wel op te gaan staan (lacht). Ik dacht: 80 kilo, dat wil ik niet wegen. Want 80 wordt dan 80,5 en 81 en dan ben je vertrokken. Nu weeg ik 75, maar ik ben ook gestopt met cola te drinken en suiker in de koffie te doen. In combinatie met de kilometers op de fiets zijn er een paar kilo’s afgegaan.”

 

Ben je een klimmerstype of eerder een tempomaker?

“Ik fiets heel graag, maar ik ben geen enkele van de twee. Klimmen doe ik wel graag, maar ik kan het eigenlijk niet goed. Als ik zeg dat ik fiets, antwoordt iedereen altijd direct: ‘Ge kunt goed klimmen, zeker?’ No way (lacht). Ik kan op het vlakke een zeker tempo volgen, maar het niet zelf bepalen. En bergop los ik met plezier. Als we maar gezond boven komen.”

“Ik ben dit jaar voor drie dagen naar Mallorca gereisd, onder andere met ‘Borkel’ (Vital Borkelmans, nvdr.) en een vriend van hem. Gert is ook nog afgekomen. Het zijn cols die te doen zijn – al blijft het stompen voor mij – maar het is anders dan de Alpen of de Pyreneeën.

In het begin is het plezant om Alpe D’Huez of de Tourmalet op te rijden, maar die hoge cols, dat hoeft niet per se meer.”

“Ik rij ook weinig op ‘mijne grote plateau’, meestal kies ik voor de middelste van mijn tripel (de drie tandwielen vooral, nvdr.). Maar ik kan het tempo volgen. Onze eerste buitenlandse trip jaren geleden ging naar de Ventoux. We hadden al in de Ardennen gereden en ik dacht: ik ga daar nooit op geraken. Dus toen heb ik in de fietsenwinkel voor de zekerheid gauw een tripel laten steken (lacht).”

"En bergop los ik met plezier. Als we maar gezond boven komen"

Hou je bij hoe snel, lang en ver je fietst?

“Ik rijd al een hele tijd zonder hartslagmeter en ’kilométrique’. Ik kijk pas op mijn Strava-account als ik thuiskom en dan zie ik wat ik gepresteerd heb. Ik voel het eigenlijk zo ook wel hoe ik gereden heb.”

 

Ben je al in valpartijen betrokken geraakt?

“Mijn zwaarste val maakte ik in mijn eerste jaar als trainer van Roeselare. Een beetje voorbij Damme moest ik een bocht van negentig graden nemen. Het asfalt was daar afgeschraapt en ik voelde mijn voorwiel wegschuiven. Ik gleed over al die losse steentjes. Kijk, aan mijn hand kan je het nog altijd zien en mijn elleboog en knie lagen ook open. Voor ze het dichtnaaiden moesten ze die steentjes er eerst met een pincet uit halen. Ik moest dat geregeld laten ontsmetten. Alles was goed aan het genezen tot ik na een paar weken op de training met mijn sloefen aan op een bal sjot die kwam aangerold. Ik schoof onderuit en alles lag weer helemaal open. En prikken! Een coureur zou er mee lachen, maar ik was toch op drie plaatsen genaaid… We hadden met Roeselare de eerste match gewonnen en daarna vijf keer verloren. Toen ben ik beginnen te ‘bleiten’. Ik dacht: met al mijn miserie, komt dat er ook nog eens bovenop.”

 

Trap je nu nog weleens tegen een bal?

“Met voetballen ben ik gestopt, omdat ik er geen plezier meer in had. Ik heb even meegesjot met Surfers’ Paradise, een vriendenclub uit Knokke, maar na drie matchen kon ik zes weken niets doen door een spierscheur en daarna raakte ik weer geblesseerd. Dus nu ga ik niet meer in op vragen om mee te voetballen, ik wil geen blessure meer riskeren. Je ondervindt er meer nadeel van dan voordeel en na tien minuten zit ik bovendien stikkapot. Dus je leert neen zeggen. Ik begin wat dat betreft meer aan mijzelf te denken.”

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.