Grenzen verleggen

donderdag 24/11

Ik gaf onlangs een lezing aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, ter opening van het academiejaar. Locatie was de Janskerk, die ondanks het verlies van voorvoegsel Sint- nog altijd een gewijde sfeer blijft uitstralen. Op voorhand had ik al bij wijze van opdracht meegekregen dat mijn lezing het thema van de menselijke eindigheid diende te behandelen, maar dan met de uitdrukkelijke vraag daar ook een wending van optimisme aan te geven. Dat kwam er zo ongeveer op neer: oké, we gaan allemaal dood, maar toch heeft ons leven zin. Misschien,dacht ik, kunnen we die vraag naar zin zelfs enkel stellen net omdat we eindig zijn. Stel dat je eeuwig zou blijven leven, dan doet het er eigenlijk niet zoveel toe wat je hier zoal uitspookt op deze eindige aardkluit. Je hebt dan altijd alle tijd om een nieuw startschot te geven ter verbetering van dat weliswaar vleselijke, maar in dit geval niet gestaag uitdovende leven van ons.

©Marc Van den Bossche

We weten beter. We zijn eindige wezens en op een dag worden we daar mee geconfronteerd. Dat is hier echter niet mijn punt. Er is nog een andere dimensie aan dat eindige aspect van ons leven: we worden ouder. Dat weten we altijd. Er zijn zelfs fases in het leven waar we daarnaar verlangen: was ik maar een paar jaar ouder, dan zou ik... Vul maar in. Met die eindigheid van ons gaat echter ook altijd een ander keerpunt gepaard. Dat is het moment waarop je zucht: was ik maar een paar jonger, dan zou ik... Vul maar in.

Voor ons, sportomhelzende wezens, is die invulling tamelijk voorspelbaar. Onze hoogstpersoonlijke zucht zal dan altijd iets laten meeklinken van hoe het een paar jaar geleden nog sneller, harder, hoger ging. En daar in één adem aan toegevoegd: en dus beter. 

Hoe behoud ik de goesting in sport nu ik geconfronteerd word met lijfelijk verval en alzeker met de niet meer te loochenen vastelling dat het voortaan noch hoger, noch sneller, noch verder zal gaan!

Ik vertaal mijn opdracht in die Utrechtse kerk naar dit gegeven: hoe dan nog optimistisch te blijven? Anders geformuleerd: hoe behoud ik de goesting in sport nu ik geconfronteerd word met lijfelijk verval en alzeker met de niet meer te loochenen vastelling dat het voortaan noch hoger, noch sneller, noch verder zal gaan. Stoutmoedigheid fluistert mij nu in: maar toch beter. En dan zet ik daar een uitroepteken achter. Maar toch beter!

“Hoe komt die man daar bij?”, vraagt u zich af. Misschien zelfs denkt u: wat zou zo’n filosoof daar over te vertellen hebben? Wel, bekijk het inderdaad misschien eens filosofisch. In een boek dat ik op dit moment aan het voltooien ben, getiteld De zinnen van het leven, pleit ik voor een zeer down-to-earth benadering, waarin zingeving ondermeer ook te maken heeft met de verhalen die we onszelf over onszelf vertellen. ‘Narratieven’ heet dat in duur filosofisch Nederlands. Het zeer grote voordeel van verhalen is dat ze altijd kunnen herschreven worden. Ik denk dat we dat eigenlijk ook wel voortdurend moéten doen. Kwestie van survival. Wie zijn verhaal niet kan aanpassen aan nieuwe uitdagingen, problemen of vragen die opduiken op de eigen levensweg, dreigt wat makkelijker op de existentiële bek te gaan, dan wie dat wel kan.

Ik dacht zo dat we misschien de woordenschat die we gebruiken om iets over onze onderliggende drijfveren bij ons aller sportactiviteit zouden kunnen bijschaven. Bijvoorbeeld op het moment dat je gaat bedenken dat het een paar jaar geleden toch sneller en hoger en verder ging. We spreken af dat u voortaan niet meer zegt: en dus beter. Want met wat had dat ‘beter’ te maken? De kans is groot dat dit in je eigen narratief vervat zat waarin je het had over ‘mijn grenzen verleggen’. Waar leg je dan die grens? Een beetje hoger, een beetje verder, een beetje sneller. Dat doe je tot die grens zichzelf oplegt. Hij doet dat op het moment van je net-iets-teveelste verjaardag of hij doet dat via het strenge oordeel van een dokter waar je gaan klagen bent over een fysiek mankement. ‘Ken uw limieten, mevrouw, mijnheer’. Limieten? Waren dat niet die dingen waarvan we in de eerste plaats vonden dat ze moesten verlegd worden?

Als u mij toelaat even in het pluralis te spreken: wat is nu eigenlijk ons probleem met die grens? Met ‘ons’ bedoel ik: het verzamelde sportgild aan wie die grens zich geheel spontaan en even onontkoombaar heeft aangediend. En als u nog niet tot dat compartiment van het sportgild behoort: eens komt hij toch, die grens.

Hoe zien we gebruikelijkerwijs dat fenomeen? Ik vermoed, maar ben er eigenlijk nogal straf van overtuigd: de grens zien we als datgene waar iets ophoudt. De grens is altijd die plek waar we niet meer verder kunnen. We stuiten op limieten. Zelfs na noeste trainingsarbeid houdt het daar -op nogal onverbiddelijke wijze- op met dat hoger, verder en sneller. De grens is een eindpunt. Verlegbaar. Dat zeker. Maar even zeker: beperkt verlegbaar.

Maar moeten we het zo zien? Neen. Het kan ook anders. Laten we vooral uitgaan van dat misschien soms vervelende, maar nooit te vermijden fenomeen van de menselijke eindigheid. Als je het goed bekijkt zit die grens gewoon ingebakken in ons leven. Altijd. 

Mijn grens, dat wil zeggen mijn altijd aanwezige beperktheid ten gevolge van leeftijd of de mij kenmerkende fysieke potentie, dat is waar ik bij begin, niet waar ik eindig

Volgende vraag: hoe knoop ik daar een bundeltje optimisme aan vast? Mijn voorstel: door die grens te zien als een begin en niet als een einde. Mijn grens, dat wil zeggen mijn altijd aanwezige beperktheid ten gevolge van leeftijd of de mij kenmerkende fysieke potentie, dat is waar ik bij begin, niet waar ik eindig. Dat ik altijd een grens heb, bepaalt de mogelijkheden van wat ik doe. In dit geval: als sportomhelzend wezen. In 2006, had ik voor De Morgen een gesprek met triatleet Marc Herremans. We hadden het uiteraard over de limieten die hem waren opgelegd na zijn zware ongeval. Hoe hij dat existentieel kaderde, ben ik nooit vergeten. ‘Het leven is als een kaartspel’, zei hij. ‘Je speelt met de kaarten die je krijgt’. Soms zijn dat goeie kaarten, soms minder goeie. Maar altijd speel je het best mogelijke spel. In mijn terminologie: de grenzen van onze fysieke toestand krijgen we altijd opgelegd, maar we zien die niet als een beperking, maar als mogelijkheid. De ons eigen mogelijkheid. Nog in mijn voorstel: die mogelijkheden maken de kern uit van mijn vrijheid. Hoe ik mijn ding doe, mag dan wel altijd en onontkoombaar een bepaalde limiet kennen, toch speel ik mijn spel met die kaarten. Het is op die wijze dat ik mijn vrijheid geniet. En die is altijd relatief. Maar ze is er wel. Omarm ze.

Wat kan dat verder nog betekenen?

Stel dat een prijs wordt uitgereikt voor de top drie van motivaties die mensen opdiepen om hun sportactiviteiten van enige uitleg te voorzien, dan zou het wel eens kunnen dat ‘mijn grenzen’ verleggen podiumambities kan koesteren. Ik vind een boek terug dat de titel Hardlopen. Met succes je grenzen verleggen draagt. In interviews komt dat mantra zowat even vaak terug als de wens voor de gezondheid te zorgen, stress even efficiënt te verminderen als het lichaamsgewicht, het sociaal aspect van sportevenementen en het verlangen thuis af en toe weg te kunnen. Dat laatste dan stilzwijgend of hooguit tegen zichzelf gemompeld. Maar die grenzen verleggen - bedoeld wordt: die van jezelf - daar willen we allemaal wel mee aan de slag. Het klinkt een beetje stoer. Het geeft een drive.

Basketlegende Michael Jordan gaf er in een straffe uitspraak nog een bijkomende dimensie aan. Hij meende dat die grenzen, net als angst, niet meer dan een illusie zijn. Lees: negeren die dingen. Op naar verder, langer, meer. Daar zit nu net het probleem. Verder, langer en meer, zijn fenomenen die we op kwantitatieve wijze kunnen uitdrukken. Ze zijn meetbaar en in getallen uit te drukken. Ik heb daar niks op tegen. De competitieve sportwereld drijft er op. Maar het zijn natuurlijk ook net die fenomenen die ooit, eens, altijd op een grens zullen stuiten. Een topsportcarrière eindigt dan daar of doet nog wat in een flauwe afschaduwing van weleer verder. Maar daar hebben wij niet noodzakelijk een boodschap aan. Met wij bedoel ik nu de sportomhelzende recreatievelingen die hun boterham op andere wijzen verdienen dan door hoger, sneller en beter te gaan dan al die anderen die hetzelfde willen. Wat willen wij? (Met nogmaals excuus voor de misschien ongewenste meervoudsvorm) Wij willen een goed leven. Wij willen kwaliteit in dat leven. Die kwaliteit meten we niet. We voélen ze. Om die kwaliteit gaat het ons in onze sportesbattementen. We streven die na in dialoog met wat ons gegeven is en dus beginnend bij de grenzen die we altijd meedragen. Kan ik die grenzen verleggen? Ja, maar niet blijvend. Vooral: ze verleggen zichzelf. Mezelf verstaan, is mezelf verstaan vanuit die gegevenheid. Daar ga ik mee aan de slag. Daar ben ik vrij. Omdat ik vrij ben, zal ik altijd evenveel goesting blijven hebben en misschien zelfs almaar meer. Hoe dan ook is er dan geen reden meer om ermee op te houden. Kaarten om mee te spelen, krijg je altijd. En in mijn voorstel win je eigenlijk ook altijd.

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.