Het veldrijden is dood

(leve het veldrijden!)

donderdag 14/02

Terwijl u dit leest, staat Mathieu van der Poel op de skilatten. Moet kunnen, dacht hij, aan het eind van een seizoen dat hij helemaal naar zijn hand zette met tot nog toe 30 zeges op 31 wedstrijden waaraan hij deelnam — alleen in de Koppenbergcross zegevierde hij niet. Dat is een waanzinnig gemiddelde (96,8%). Zaterdag en zondag kunnen daar nummers 31 en 32 aan toegevoegd worden. In Waregem, Leuven en de traditionele sluitingsprijs in Oostmalle zullen crossliefhebbers hem niet zien, dan is Van der Poel al volop het wegseizoen aan het voorbereiden. Wout Van Aert parkeerde zijn crossfiets halfweg vorige week al in de garage.

Wat rest van het seizoen is dus voor de mindere goden. Een einde in mineur van een jaargang die half september begon in Geraardsbergen en die pas op 24 februari wordt afgesloten. In de tijd van Erik De Vlaeminck of Roland Liboton begonnen ze eraan eind oktober en waren ze de tweede week van februari al in volle voorbereiding op het Vlaams openingsweekend.

Veldrijden is een half jaar dominant aanwezig in de sportkaternen van de kranten, op sportnieuwssites en op radio en tv, en daar is een reden voor: de sport is nog altijd immens populair. Al loopt die populariteit wel terug. Het WK bij de mannen werd door gemiddeld 919.688 Vlaamse kijkers gevolgd. Vorig jaar waren dat er een pak meer: 1.282.333. Zelfs het BK werd door meer fans bekeken dan het WK: 1.144.953.

Dat Wout Van Aert drie wereldtitels op een rij behaalde, vertekende de realiteit: Mathieu van der Poel is al vijf jaar de beste

In het najaar van 2018 bleek dat de kijkcijfers voor het veldrijden met een kleine twintig procent waren teruggevallen, maar de marktaandelen bleven stabiel of stegen zelfs lichtjes. Veldritorganisatoren weten dat aan het goede weer, waardoor mensen liever zelf buiten zijn dan dat ze voor hun tv blijven hangen. Ze zijn blij dat er nog altijd zes op tien kijkers 's namiddags voor hún sport kiezen. Ze hebben een punt. Bovendien lijdt het veldrijden toch wel wat onder de versplintering, waardoor je soms moderne wiskunde moet gestudeerd hebben om te weten waar je nu moet zijn: de openbare omroep, de commerciële of een betaalzender?

Het grootste euvel van deze fijne kijksport — één uur volle bak televisie — is het gebrek aan spanning. Mathieu van der Poel kannibaliseert op merckxiaanse wijze, maar in tegenstelling tot Eddy Merckx, die geliefd was omdat hij altijd aanvallend koerste en wilde winnen, steekt Van der Poel er té ver bovenuit en oogt hij te koel. Dat Wout Van Aert drie wereldtitels op een rij behaalde, vertekende de realiteit: Van der Poel is al vijf jaar de beste. Hij won de meeste crossen, was de regelmatigste, schudde tegenstanders van zich af wanneer hij dat wilde of nodig achtte. Alleen kan je natuurlijk een minder goede dag kennen, of brute pech hebben, zoals op een WK. Daarom staan er nog maar twee wereldkampioenschappen op zijn erelijst en uiteraard wel al vijf Nederlandse titels.

Van der Poel mag dan een halve Belg zijn — geboren en opgegroeid in Kalmthout, hij praat het lokale dialect, heeft een Vlaams lief —, als het erop aankomt vinden de veldritfans hem een ambetante 'Ollander’. Dat verklaart de kleinzielige reacties in het verleden en ook nog vorig weekend. Veldrijden is een Vlaamse kermis, met alle uitwassen die daar gewoonlijk bij horen: veel drinken, lallen, ruzie zoeken, zwalpend naar huis gaan en onderweg de uitslag vergeten zijn.

Veldrijden is een Vlaamse kermis, met alle uitwassen die daar gewoonlijk bij horen: veel drinken, lallen, ruzie zoeken, zwalpend naar huis gaan en onderweg de uitslag vergeten zijn

Collega Hans Vandeweghe noemde Mathieu van der Poel in De Morgen 'de beste veldrijder aller tijden'. Een moeilijke, eigenlijk onmogelijke vergelijking, want op basis waarvan zeg je zoiets: fysieke mogelijkheden, intrinsieke sterkte of erelijst? Nooit reed er een completere atleet rond in de modder dan hij, dat staat vast. Intrinsiek kan hij alles altijd en overal winnen, ook waar. Maar er zijn nu eenmaal die zeven wereldtitels van Erik De Vlaeminck — en die won ook een rit in de Tour, de Ronde van België, eindigde twee keer op het podium in de Waalse Pijl en werd vierde in Luik-Bastenaken-Luik. Kan je de jaren 10 van deze eeuw wel vergelijken met de jaren 50 van de vorige (vijf opeenvolgende titels voor de Fransman André Dufraisse)? Of met de periode 1959-1967 (vijf titels voor de Italiaan Renato Longo)? Ook de Zwitser Albert Zweifel won vijf keer tussen 1976 en 1986. In hun tijd waren er al die regelmatigheidscriteriums niet en er werden ook veel minder wedstrijden gereden in de wintermaanden. Het blijft een beetje appelen met citroenen vergelijken.

Wat wel duidelijk is: Mathieu van der Poel is opnieuw een renner die op alle terreinen thuis is. Momenteel de beste in het veld, de derde beste op het vorige WK mountainbike, Nederlands kampioen op de weg, zilver op het EK wielrennen. Hij zou een VO2-max van 89 hebben, dat is het maximale zuurstofopnamevermogen, de hoeveelheid zuurstof die een renner tijdens maximale inspanning kan transporteren naar de werkende spieren om energie vrij te maken. Dat is hoger dan Chris Froome. Kan hij de Tour winnen? Of moet hij zich toeleggen op de moeilijkere klassiekers? Veel kan, maar niet alles.

Zelf wil Van der Poel nog een tijdje van drie walletjes blijven eten: veldrijden, mountainbiken, wegwielrennen. Zegt een vierentwintigjarige, die toch stilaan een definitieve keuze zou moeten maken. Al is er natuurlijk ook dat lucratieve karakter om de drie te blijven combineren. Mogelijk kiest Wout Van Aert nog eerder voor de weg dan hij.

Van der Poel die er bovenuit steekt, Van Aert die goed rijdt maar niet beter kan en meer richting weg lonkt: wat blijft er dan nog over?

Van der Poel die er bovenuit steekt, Van Aert die goed rijdt maar niet beter kan en meer richting weg lonkt: wat blijft er dan nog over? Met alle respect: Belgisch kampioen Toon Aerts zal niet de man zijn die Van der Poel het vuur aan de schenen legt. En dan komen we aan het probleem van het veldrijden op dit ogenblik: een sport die leeft van rivaliteiten (De Vlaeminck-Van Damme, Liboton-Vermeire, Nys-Wellens, Albert-Nys, enzovoort) en soms van meerdere duels binnen dezelfde generatie, moet het nu stellen met een nauwelijks nog iets voorstellend duel Van der Poel-Van Aert. Daarachter wacht de grote leegte. En stel je maar eens voor dat een van beide, of allebei, er de brui aan geeft, dan zal het veldrijden enorm aan kwaliteit inboeten. Zeg maar: sportief niets meer voorstellen.

Komt nog bij dat deze sport de voorbije vijf jaar een soort korfbal-op-twee-wielen is geworden: Vlaanderen versus Nederland. In Wallonië en Brussel liggen ze niet wakker van fietsende dames en heren in het veld, in Nederland wordt nauwelijks een cross live uitgezonden. Dus krijg je een marginale sport met veel fans. Zelfs de sportieve verhouding is vergelijkbaar met het korfbal: aan het eind wint meestal de noorderbuur. De grootste hoop komt uit het Verenigd Koninkrijk: Tom Pidcock werd vorige week in Bogense wereldkampioen bij de beloften, zijn landgenoot Ben Tulett bij de junioren. Dat neemt niet weg dat er van de vijftien te verdelen medailles twaalf naar België en Nederland gingen, netjes onder elkaar verdeeld. Veldritlanden met een behoorlijke traditie (Zwitserland, Tsjechië, Italië, Frankrijk, Duitsland) geven al een poos niet thuis.

Voorzichtige conclusie: het veldrijden is dood. Maar toch ook een heel klein beetje: leve het veldrijden!

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.