Hij is geen sportman die niet roken kan

Hoe de foute jaren ’60 en ‘70 een generatie topsporters aan de sigaret hielp

donderdag 24/03
Johan Cruijff

Hij was lang niet de enige. Met ontzetting reageert de buitenwereld op het nieuws dat Johan Cruijff aan longkanker is overleden. Waarbij gretig wordt gewezen naar de jaren waarin hij het topvoetbal combineerde met soms wel tachtig sigaretten per dag. Maar of je het hem kwalijk kan nemen? Ook Cruijff was slechts een kind van z’n tijd. Van een foute tijd, toen de sigaret nog gezond was en zelfs de grootste topsporters er lustig op los rookten. 

Guy Thys

Het is een kille februaridag in 1996 als Birger Jensen met een MUG het ziekenhuis wordt binnengebracht. Zijn hartslag is buitengewoon laag en hij is buiten bewustzijn. Jensen is die ochtend in mekaar gestort. Thuis gevonden, met een sigaret in de mond. De spoedartsen schrikken. Niet alleen moet hun patiënt nog 45 worden, ze kennen hem vooral als een gewezen topsporter. De voormalige doelman van de Deense nationale ploeg, een clubicoon dat tussen 1974 en 1988 ruim driehonderd wedstrijden keepte voor Club Brugge, de  man die in 1978 op Wembley in doel stond in de enige Europa Cup 1-finale die een Belgische club ooit speelde. Maar achttien jaar later is Jensen onherkenbaar. Zijn hart laat het afweten, en een pacemaker moet zijn leven redden. De oorzaak? ‘Bij mijn hartoperatie wees mijn dokter naar de sigaret’, schrijft Birger Jensen in zijn biografie ‘Mijn blauw-zwart hart’. ‘Roken tast hart- en bloedvaten aan. En ik rook sinds mijn vijftiende. Wat moet ik dan nog zeggen? Ze hebben mij nooit verteld: ‘Stop ermee of je hart is om zeep!’

Roken hoort erbij. Altijd en overal. En liefst in gezelschap – een Belga rook je nooit alleen

Het zijn geen loze woorden van Birger Jensen. We schrijven 1966 als Jensen begint te roken. Woelige jaren waarin de wereld onder impuls van een nieuwe, revolterende generatie alle tradities, gewoontes, normen en waarden van hun ouders door mekaar schudt. Maar aan één gewoonte raakt niemand. ‘Hij is geen man die niet roken kan’, stond al in de 19de eeuw op de pijpenrekjes van hun voorouders. Een leuze die ook in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw onverstoord overeind blijft. Acht op de tien volwassenen rookt. Het hoort erbij. Altijd en overal. En liefst in gezelschap – een Belga rook je nooit alleen. Op tv worden talkshows in dichte rookwalmen opgenomen. In de strips kan Lucky Luke niet zonder sigaret als hij far away from home op zijn paard stapt. Op school staat de leerkracht, eigenhandig gerolde sigaret tussen wijs- en middelvinger, voor de klas. En gastheren die hun invités vragen om buiten te roken zijn even zeldzaam als soixante-huitards zonder linke ideeën.

Van die rookvriendelijke wereld maakt ook de sport integraal deel uit. ‘Sport, de kampioenen der sigaretten!’, is in de vroege jaren ’50 de vandaag ondenkbare naam en slogan van een sigarettenmerk. Maar niemand die er destijds van opkijkt. Sport is nog niet gezond – het zal nog ruim dertig jaar duren vooraleer de maatschappij het verband tussen bewegen en gezondheid als vanzelfsprekend ervaart. Net zomin als tabak al zijn etiket van ‘kankerverwekkend’ draagt. Integendeel, nog in de jaren ’30 maakt de legendarische Nederlandse voetbalverslaggever Han Hollander rechtstreeks reclame op de radio voor een Amerikaans sigarettenmerk: ‘Chief Whip, de beste sigaret voor uw gezondheid.’ Het zegt veel.

Tabakgigant Samson pakt uit met een commercial waarbij een doelman rustig zijn sigaretje rookt als de bal aan de andere zijde van het veld is

 Sport en sigaretten vormen tot diep in de twintigste eeuw een evidente combinatie. Dat zie je in de reclame: tabakgigant Samson pakt uit met een commercial waarbij een doelman rustig zijn sigaretje rookt als de bal aan de andere zijde van het veld is. Aan zijn doelpaal is een asbakje gemonteerd waar hij bij de eerstvolgende aanval zijn peuk zal inleggen – altijd ontspannen met een Samson in de buurt. Dat zie je naast het veld: neem willekeurige beelden van om het even welke Derby der Lage Landen en tel de eindeloze rijen toeschouwers die zich -hoed op het hoofd, sigaar in de mond- aan de wedstrijd vergapen. Dat zie je in de sponsoring: Rizla, fabrikant van sigarettenpapier, zal in 1992 nog op het shirt van voetbalclub Beerschot prijken. Dat zie je in de dug-out: Guy Thys en zijn eeuwige sigaar, Raymond Goethals en zijn sigaretten, kettingroker Ernst Happel bij Club Brugge. Op de bank worden de zenuwen weggerookt. Dat zie je in het wielrennen: Rik Van Looy rijdt voor Willem II-Gazelle, Freddy Maertens voor Boule D’Or. Twee wereldkampioenen, twee sigarettenmerken. En dat zie je dus ook bij de topsporters zelf.

Achteloos vertelt Birger Jensen hoe hij na de verloren Europa Cup I-finale tegen Liverpool in de kleedkamer van Wembley een sigaret opsteekt. Een bijzondere wedstrijd, maar een doodgewoon tafereel. Ook naast hem, op de houten banken van Wembley, zullen er die dag hun sigaretten bovengehaald hebben. Edi Krieger, Oostenrijks international en libero van Club, is al evenzeer een verstokt roker. Zelfs Raoul Lambert, spits, veelvoudig Rode Duivel en tot vandaag het archetype van de Brugse professional uit het gouden Club-tijdperk, rookt makkelijk veertig sigaretten per dag. Jensen:  “Tijdens de trainingen sjokten we op ons gemakste achteraan. Happel vergeleek ons dan met gehandicapten: ‘Rauchers? Hinten!’ We rookten ook voor de match en tijdens de pauze. Gewoon ontspannen een sigaretje roken. Dan stapte hij de kleedkamer in: ‘Jensen, du stinkt naar smoor. Hij had ons in de mot, maar het kon hem geen lor schelen.”

Het zijn taferelen zoals je ze in de jaren ’70 overal terugvindt. Bij Anderlecht rookt Rensenbrink regelmatig zijn sigaretje. Bij Waregem is het Luc Millecamps. Elke dag van zijn voetbalcarrière verslindt de 35-voudige international een pakje. “Net voor de wedstrijd, net erna, ik had gewoon een sigaret nodig”, herinnert  hij zich. “Als het niet stiekem in de toiletten kon, dan maar in het openbaar.” Millecamps zag er destijds geen graten in. Waarom zou hij? Bij de Rode Duivels is het niet anders, ervaart hij. “Soms zagen we mekaar in de kleedkamer amper zitten door de rook.” Bondscoach Thys is wel de laatste om in te grijpen: je ziet hem zelf nooit zonder Havanna tussen de lippen.

"Soms zagen we mekaar in de kleedkamer amper zitten door de rook” (Luc Millecamps)

Sommigen gaan nog een stap verder. En niet de minsten. Bekende koppen doen verkopen, ontdekt ook de tabaksindustrie, en dus worden de allergrootste  topsporters de grootste ambassadeurs van de sigaret. In het wielrennen zet niemand minder dan Eddy Merckx de toon. Via paginabrede advertenties lacht hij, netjes in het pak, zijn fans toe met de wervende boodschap: “Ik ben overgegaan op R6. Voor mij is dat de eerste nicotine- en teerarme sigaret die zoveel smaak heeft.” Een bedrieglijke mededeling. De R6, van Duitse makelij, blijkt even ongezond als elke andere sigaret. 

Maar Merckx doet niet anders dan Johan Cruijff in Nederland. Cruijff is in het voetbal van de jaren ’70 wat Merckx is in het wielrennen: wereldklasse, beter vind je niet en zal ook nooit meer gevonden worden. Vóór Cruijff heeft die andere voetbalgrootheid Alfredo di Stefano al onverbloemd zijn liefde aan de sigaret verklaard. “Tijdens iedere wedstrijd verlang ik zo naar een sigaret”, aldus de Argentijnse Spanjaard die met Real Madrid vijf keer op rij Europa Cup I won en in elke finale scoorde, “dat ik er alles aan doe om die negentig minuten voor mijn gevoel zo kort mogelijk te maken.” Maar Cruijff maakt nog veel minder een geheim van zijn rokersbestaan. De aanvoerder van Ajax, Barcelona en Oranje rookte altijd en overal. Zelfs tijdens een duurloop, zelfs in de spelersbus. Geen wonder dat de tabaksindustrie ook bij hem aanklopt voor een advertentie. Sigarettenmerk Roxy Dual is de gelukkige. ‘Want van alle sigaretten met weinig ‘teer’ en nicotine smaakt Roxy Dual mij verreweg het best’, debiteert Cruijff in een pose die een en al overtuiging moet uitstralen. En om de laatste twijfelaars over de streep te halen, mag er nog een vette leuze bovenaan - Johan Cruijff: “Rook verstandig.” De advertentie verschijnt in de late jaren ’70 in elk Nederlands tijdschrift.

Toch, helemaal geruisloos gaat dit alles zelfs in de rokerige jaren ’70 niet voorbij. De eerste wetenschappelijke studies over de gezondheidsrisco’s van roken dateren al van de vroege jaren ‘50 en naarmate de eighties naderen, worden steeds meer wenkbrauwen gefronst bij het openlijke rookgedrag van veel sporters. Bij Waregem krijgt Millecamps te maken met de 36-jarige excentrieke Nederlander Hans Croon als trainer. Croon is een nieuwlichter, het type dat alles in vraag stelt. Ook de sigaret. Millecamps: “Op een zekere dag tikte iemand mij op de schouder toen ik aan het praten was met een paar supporters in de kantine. Het was Hans Croon. Hij zei: 'We zijn toch overeengekomen dat dit niet meer kan!' Ik antwoordde hem: 'Luister nu eens, trainer, voor hetzelfde geld ga ik hier 500 meter verder in een gewoon café een pint drinken en een sigaret roken, dan weet je het niet. Vanaf dan liet hij me gerust!" 

Maar het is wel een eerste teken aan de wand. Net zoals de reclamecampagnes met  Merckx en Cruijff  op groeiend onbegrip stoten. Een kritiek die nergens zo subtiel verwoord wordt als door striptekenaar Marc Sleen. In het Nero-album ‘Daris doet het’ uit 1978 voert hij de eeuwige piraat Tuizentfloot op in een scène met dictator Idi Amin Dada. Die laatste houdt woelwater Clo-clo boven de opengesperde muil van een krokodil. Het doet Tuizentfloot uitroepen: ‘Iedere ter dood veroordeelde heeft recht op een laatste wens. Een laatste sigaret ofzo?’ Waarop Dada repliceert: ‘Hij rookt niet. Hij is Eddy Merckx niet.’ Dan is de kritiek op Cruijff een stuk minder subtiel. Hij krijgt in Nederland de hele antirooklobby over zich, maar verweert zich zoals alleen hij dat kan. “Uit sommige onderzoeken is gebleken dat deze sigaretten zelfs goed voor de gezondheid zijn”, klinkt het op een toontje dat geen tegenspraak duldt.

 

Pas jaren later zal Cruijff zijn ongelijk toegeven. De vernietigende studies stapelen zich op, en naarmate de jaren ’80 vorderen raakt de hele maatschappij doordrongen van het beeld van de sigaret als stille sluipmoordenaar. Ook de sportwereld. Al is het dan mondjesmaat: wereldsterren als Marco Van Basten en Frank Rijkaard zullen nog tot diep in de jaren ’90 stiekem hun sigaretje roken op de toiletten. Maar de trend om het roken definitief uit de sport te bannen is onomkeerbaar. In ’89 volgt een verbod op reclame voor tabaksproducten op tv of in tijdschriften. In ’96 mogen tabaksfabrikanten niet langer sportverenigingen sponsoren. In 2003 legt de UEFA alle trainers een rookverbod in de dug-out op. En als in 2014 Club Brugge als eerste Belgische club, in navolging van onder meer Barcelona en de hele Premier League de sigaret ook uit de tribunes weert, zorgt dat nog nauwelijks voor enige deining. Cruijff zelf is wel de laatste om zich dan nog te roeren. Nadat hij in 1991 een hartaanval heeft gekregen heeft hij de sigaret afgezworen en ingeruild voor een lolly. Te laat, helaas. De onherstelbare schade is dan al aangericht. 

Dankbare bronnen:, De Standaard, Het Laatste Nieuws, Sport/voetbalmagazine, Voetbal International, Johan, ‘Birger Jensen, mijn blauw-zwart hart’ (Raf Willems).

 

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.