Man aan de bal, vrouw aan de haard

woensdag 26/08

Het komt nooit meer goed tussen René Vandereycken en de pers. Te veel gebeurd, te veel geschreven, te veel kritiek moeten slikken. Sinds de gewezen international in 2009 ontslagen werd als bondscoach van de Rode Duivels heeft hij bitter de deur definitief achter zich dicht gedaan. Nooit nog een interview, zelfs nauwelijks een quote. Net zoals zijn publieke vertoningen al jaren op de vingers van een schrijnwerkershand te tellen zijn. Een heel enkele keer werd hij opgemerkt in de tribune bij KV Mechelen-Genk. En recenter maakte hij zijn opwachting toen Raoul ‘Lotte’ Lambert door Club Brugge gelauwerd werd om zijn zeventigste verjaardag. Inclusief een weinig zeggend woordje op de clubwebsite, zowaar. Maar verder niks. Vandereycken schuwt de pers, de media, de openbaarheid.

Was dat even anders in de winter van 1979.

‘Voetbalidolen Intiem’ lezen we, bescheiden, haast weggedrukt in de linkerbovenhoek van de voorpagina. Veel glamour straalt het blad niet uit. Het is februari 1979 en glossy is nog geen begrip in medialand. Zelfs de coverfoto verwarmt nauwelijks. Jean-Marie Pfaff kijkt met wilde bruine lokken in de lens. Naast hem, dan al, zijn onvermijdelijke Carmen. Pas een jaar later zal Urbanus Vlaanderen doen grijnzen met zijn hitje ‘Madammen met een bontjas’, en dat zie je eraan. De doelman van SK Beveren neemt nog genoegen met een dikke bonten kraag. Maar de wit-grijze bontmantel van Carmen reikt tot ver over de knieën.

Het idool en zijn vrouw. Het moet in die allerlaatste maanden van de jaren ’70 geen evidentie geweest zijn in de krantenwinkel. Sport is dan nog vooral sport. Een eenslachtige mannenwereld die zich afspeelt op de fiets, tussen de krijtlijnen op het voetbalveld, desnoods achter de hoge muren van de sportzaal. ‘Society’ vindt maar mondjesmaat ingang bij het brede publiek. Privé is privé, dat sfeertje. Op de schaarse societypagina’s in kranten en tijdschriften staan nog lang geen sporters. Laat staan hun vrouwen. Hooguit weet Vlaanderen dat Eddy Merckx altijd op zijn Claudine kan rekenen. Of dat Paul Van Himst bij zijn Arlette hoort. Maar in de winter van 1979 mag het plots wel. Zesennegentig bladzijden integraal gewijd aan een schare topvoetballers en hun vrouwen. 

Waar dit merkwaardig kleinood plots vandaan komt? ‘Supplement bij het weekblad Sport ’70, Super Magazine Nr. 8 van 21 tot 28 februari 1979’, lezen we in de colofon. Een colofon die – klein zijsprongetje - nog ander leuks in petto heeft. Bij de redactieleden vinden we dan al de naam van Jacques Sys terug, vandaag nog steeds hoofdredacteur van Sport/Voetbalmagazine, de verre opvolger van Sport ’70. Maar vooral de naam van Rik Van Cauwelaert in het rijtje fotografen is opmerkelijk. Van Cauwelaert zal 25 jaar later als directeur-hoofdredacteur van Knack een van de meest invloedrijke politieke journalisten in Vlaanderen worden, maar is in 1979 als late twintiger nog volop aan het timmeren aan zijn journalistieke carrière. Een loopbaan die duidelijk nog een aantal wendingen te nemen heeft. Hier duikt hij op als sportfotograaf die instaat voor de plaatjes van onder meer Ruud Geels en Johan Boskamp. Pas een jaar later zal Van Cauwelaert als journalist aan de slag gaan.

Maar terug naar Pfaff en vrouw Carmen. Wat de redactie van Sport ’70 bezielt om in februari 1979 plots met een behoorlijk lijvige bijlage over het gezinsleven van 17 van ’s lands beste voetballers uit te pakken, God mag het weten. Uitleg krijgen we niet. Geen duidende column, geen redactioneel hoofdartikel. Hooguit de inleidende boodschap ‘vanwege Arlette en Paul Van Himst’ geeft een kijk op het waarom. ‘Dat er in de reportages naar getracht is de mens achter de voetballer, zijn levenswijze en het belang van zijn gezin, te laten zien, vind ik een uitstekend idee’, laat de gewezen Anderlecht-coryfee optekenen. ‘Want het privéleven is één van de belangrijkste factoren die de carrière van een sportman beïnvloeden’. Van Himst is dan al voetballer af. Hij is nooit in het gevreesde zwarte gat getuimeld, merkt hij op, en ook dat heeft zo zijn redenen. ‘In die omstandigheden is het natuurlijk belangrijk dat je vrouw, het gezin, of de intimiteit zoals de makers van dit boek het genoemd hebben, optimaal is’, gaat hij verder. En besluit vervolgens: ‘Maar daarover kan Arlette het beter hebben.’ 

De jaren ’80 mogen dan wel aan de deur kloppen en Vlaanderen mag de eerste emancipatiegolven al achter de rug hebben, weinig dat daar op wijst!

Wat prompt gebeurt. Op geheel eigen wijze. Want de jaren ’80 mogen dan wel aan de deur kloppen en Vlaanderen mag de eerste emancipatiegolven al achter de rug hebben, weinig dat daar op wijst. Zeemzoeterig treedt Arlette Van Himst haar man bij. ‘Er wordt wel eens gezegd dat vrouwen van voetballers de sfeer kunnen verpesten’, klinkt het gedwee. ‘Natuurlijk kunnen ze dat. Maar dan benadelen ze rechtstreeks ook hun eigen man. Dus op louter voetbalgebied kunnen ze beter op de achtergrond blijven, vind ik.’ En omdat het altijd nóg onderdaniger kan. ‘Een voetballersvrouw weet na weinige tijd precies hoe ze zich moet aanpassen. Na een belangrijke wedstrijd met goed gevolg b.v. (sic) dompelen voetballers zich graag onder in de uitgelaten sfeer die dan heerst. Ze drinken samen een glas, amuseren zich. Wanneer je dan aan de mouw van je man gaat trekken om naar huis te gaan, zit je fout. Het zijn zo van die zaken die met de jaren automatisch opgenomen worden in de leefwijze.’

Kreukloos, braaf, gehoorzaam. Het Nederlands oogt dan wel wat krom, met de inleidende boodschap van het gezin-Van Himst is de toon gezet. Als de portretten en de bijhorende plaatjes van Belgiës grootste voetbalsterren en hun gezin het leven anno 1979 moeten weergeven, dan toch het allersaaiste deel ervan. De grootste namen uit de Belgische eerste klasse van die periode passeren de revue. Belgische iconen genre Wilfried Van Moer, Raoul Lambert, Julien Cools, de Spaanse Belg Juan Lozano en de piepjonge Michel Preud’homme, naast buitenlanders als Johan Boskamp, Arie Haan en het IJslandse fenomeen van Standard Sigurvinsson.

 

Maar hoe groot hun voetbalglorie en vedettestatus in die jaren ook wezen mag, hun levensverhalen zijn stuk voor stuk gepolijste jongensboeken. Verhalen van gewone jongens die het toevallig tot topvoetballer hebben geschopt, maar toch zo gewoon zijn gebleven. Van Jean-Marie Pfaff vernemen we dat hij zo verzot is op rode kool. ‘Maar dat blijft zwaar op de maag liggen, dus moet hij zich matigen’, merkt Carmen op. Rob Rensenbrink en zijn vrouw Corrie zagen mekaar voor het eerst op de schaatsbaan en rijden tegenwoordig met een Jaguar. ‘Maar’, aldus echtgenote Corrie, ‘Robbie is zo vreselijk nuchter dat ik niet denk dat hij moeite zou hebben als hij plots met een VW moet rijden.’ Wilfried Van Moer denkt nog vaak terug aan zijn jaren als elektricien. Raoul Lambert en zijn vrouw Hedwige ‘hebben mekaar leren kennen tijdens een opendeurdag van de Siemens-fabriek in Oostkamp’. Jean Janssens ‘bewoont een moderne woning in een Beverse nieuwbouwwijk, gelegen Guido Gezellelaan 65’ en heeft als duivenmelker-hobbyist op zijn voetballoze dagen geen tijd voor vakantie wegens ‘te druk met die duifjes bezig.’ Terwijl Michel Preud’homme en zijn vriendin Colette houden van eindeloze partijtjes ‘scrabble.’ Zo gaat dat maar door. Elk interview opnieuw balancerend tussen aandoenlijk, naïef en bodemloos saai. Met als rode draad de voetbalvrouw, altijd trouw aan de zijde van manlief, blij met haar rol in de schaduw, eeuwig onderdanig. Aldus Corrie Rensenbrink zodra het over voetbal gaat: ‘Het is niet zo dat ik mij zou durven mengen in een discussie. Ik hoor wel eens spelersvrouwen dat ik denk, Jezus! Waar halen ze de lef vandaan.’ Of met Fabienne Vandereycken: ‘Ik vind dat je als vrouw gewoon moet geïnteresseerd zijn in hetgeen je man doet.’ We schrijven 1979, maar de vrouwenemancipatie heeft het Belgische voetbal nog niet bereikt. Man aan de bal, vrouw aan de haard. En zo is het goed.

Ook dat waren de late seventies: een tijd waarin topsporters nog vlekkeloze, ideale schoonzonen waren.

Maar laat dat de pret van de argeloze lezer niet vergallen. Want mede door de kleffe portretten is ‘Voetbalidolen Intiem’ een uniek tijdsdocument. Ook dat waren dus de late seventies. Een tijd waarin topsporters nog vlekkeloze, ideale schoonzonen waren, waarin topvoetballers nog zonder gêne hun privéleven aan de pers openbaarden en waarin elke netjes geposeerde familiefoto baadt in die eerlijke waas van ouwerwets analoge foto’s. Vooral dat laatste maakt het ruim 35 jaar later heerlijk om door te bladeren. Zelden moet er zoveel uniek fotomateriaal gebundeld zijn in één enkel blad. We zien de trouwfoto’s van Jean-Marie Pfaff en Carmen, de piepjonge Rensenbrink als timmerman in opleiding, Corrie Rensenbrink in disco-look met wollen, dijhoge beenwarmers, Jean Janssens als milicien, Bob Hoogenboom aan een drumstel, Ruud Geels met bolhoed, Michel Preud’homme op een motor, de vijfjarige Johan Boskamp, Juan Lozano op een Vespa, Preud’homme op een tractor op het erf van zijn ouders. Stuk voor stuk pareltjes van fotografisch materiaal. Plaatjes om te koesteren.

 

En daartussen vinden we René Vandereycken. Vijfentwintig is hij dan, een van de smaakmakers van Club Brugge en - ook hij - toch zo gewoon gebleven. Nooit moet de latere bondscoaches zich zo bloot gegeven hebben. We zien Vandereycken als peuter op de kermis van Spalbeek, met lange haren naast zijn vader en – het pronkstuk - gul poserend op een familiefoto samen met zijn vrouw Fabienne en dochtertje Vanessa. Ook in de huiskamer van Vandereycken woeden de late seventies volop. De pijpen van zijn broek zijn behoorlijk wijd, vrouwlief zit gewillig aan zijn zijde, op de achtergrond wijst een tinnen miniatuurkanonnetje op huiselijkheid en René Vandereycken lacht nog gul. Andermaal, een plaatje om te koesteren.

 

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.