Sportinfrastructuur in Vlaanderen

wat brengt de toekomst?

dinsdag 18/04

'Heeft sporter wel een dak boven het hoofd nodig?'

De term 'BMS Studie' is een kwaliteitsnorm geworden. Niet alleen academici zijn geïnteresseerd in de uitkomsten van de Beleid & Management in Sport Studies, zoals ze voluit heten, maar ook beleidsmakers en sportfunctionarissen. In een nieuwe wetenschappelijke bijdrage zochten twee onderzoekers van de KU Leuven, twee sportwetenschappers van het Mulier Instituut in Utrecht en twee consultants van het West-Vlaams Economisch Studiebureau, WES, in opdracht van Vlaams minister van Sport Philippe Muyters (N-VA) een antwoord op de vraag hoe het gesteld is met de sportinfrastructuur in Vlaanderen. Dat resulteerde in de studie 'Naar een globaal sportinfrastructuurplan in Vlaanderen’. Onderzoek naar behoeften inzake sportinfrastructuur, ontwikkelen van een strategische visie en aanreiken van beleidsaanbevelingen', BMS nummer 31. Goed nieuws voor wie weinig tijd heeft: ook beschikbaar in de vorm van een managementsamenvatting.

"Help, de sporthal staat op instorten", titelden verscheidene kranten na het lezen ervan, maar zo dramatisch is de toestand niet volgens Jeroen Scheerder, professor Sportbeleid en Sportsociologie aan de Faculteit Bewegings- & Revalidatiewetenschappen van de KU Leuven, hoofd van de Onderzoeksgroep Sport- & Bewegingsbeleid en coördinator van de BMS Studies. "Ik zou graag genuanceerd willen omspringen met de resultaten van ons onderzoek. Al zijn er inderdaad meer dan vijfhonderd accommodaties die dringend aan renovatie toe zijn."

minister van Sport Philippe Muyters

Sport voor Allen

Professor Scheerder onderscheidt qua sportbeleid in Vlaanderen drie golven. De eerste speelde zich af in de jaren 60 en 70, toen sportbeleid als een van de eerste domeinen gecommunautariseerd werd. Reeds in 1963 werd Bloso opgericht, het Bestuur voor Lichamelijke Opvoeding, Sport en Openluchtleven (tegenwoordig: Sport Vlaanderen), als Nederlandstalig departement van wat toen nog een unitaire organisatie was. In 1969 werd de sportadministratie helemaal gesplitst en ging Bloso zelfstandig het beleid voor Vlaanderen helpen uitstippelen. "Er wordt weleens gedacht dat sport de voorbije halve eeuw geen prioriteit was voor de politiek, maar dat is niet correct", stelt Scheerder. "Sport is altijd belangrijk geweest. Vlaanderen nam Europees zelfs vaak het voortouw. Zo speelde het een pioniersrol op het vlak van de 'Sport voor Allen'-beweging."

Het waren de jaren dat de bomen nagenoeg tot in de hemel groeiden. "Er werden volop zwembaden en sporthallen gebouwd. Sport promoten betekende in die jaren dat iedere sporter een dak boven zijn hoofd moest krijgen." Gemeenten troefden elkaar af: het hebben van goede politieke connecties was daarbij vaak handig om te mogen bouwen. Het zijn doorgaans de gebouwen van toen die nu aandacht vereisen, constateert Scheerder. "Lokalen blijven niet eeuwig gezond. Vele zijn nu aan renovatie toe."

Na de 'Sport voor Allen'-golf kwamen de grimmige jaren tachtig. De blijvende gevolgen van de economische (olie)crisis, een veranderend politiek landschap, 'blauwe' cultuurministers die naast de overheid ook een taak voor de privé weggelegd zagen. "Het woord sponsoring viel al eens in een beleidsnota", weet Scheerder. "Er waren weinig centrale initiatieven inzake sportinfrastructuur."

Dus was het wachten tot het begin van een nieuwe eeuw voor de tweede sportinfrastructuurgolf. Met de aanstelling van Bert Anciaux (sp.a-Spirit) als sportminister en onder impuls van dienst adjunct-kabinetschef Paul De Knop, de latere rector van de VUB, werd in 2006 het Vlaams Sportinfrastructuurplan, VSIP, opgestart. De verschillende Vlarems (Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning) hadden sinds 1991 ook op heel wat sportinfrastructuur een serieuze impact. Zwembaden moesten zich aanpassen aan de strengere milieunormen, andere sportruimtes werden noodgedwongen heringericht of gerenoveerd. Deden ze dat niet, dan moesten ze sluiten.

Onder Anciaux kregen zowel top- als breedtesport aandacht. Dat resulteerde in een zogeheten 'tweesporenbeleid'. Voor infrastructuur ging de aandacht vooral naar lokale initiatieven: breedtesport, dus. In het kader van het VSIP werden heel wat PPS-infrastructuurprojecten gelanceerd. Publiek-private samenwerking, waarbij Vlaanderen nog voor dertig procent financierde maar ook lokale overheden en private partners mee financiële verantwoordelijkheid opnamen. Jeroen Scheerder: "Kenmerkend was dat gemeenten het initiatief dienden te nemen. Het accent lag dus op lokale sportinfrastructuur via een PPS-constructie, met name voor zwembaden, sporthallen en kunstgrasvelden. Van een heus topsportinfrastructuurplan was nog niet echt sprake."

Langstzittende sportminister ooit

Daarvoor was het wachten tot de komst van een nieuwe minister van Sport in 2009, Philippe Muyters, meteen de start van wat professor Scheerder de derde sportinfrastructuurgolf noemt. Er kwam een Globaal Sportinfrastructuurplan Vlaanderen, met enerzijds een duidelijke aandacht voor topsport en anderzijds het bovenlokaal benaderen van breedtesport. De Vlaamse overheid zal zelf niet meer als eerste financiële partner optreden voor lokale sportinfrastructuur. Dat heeft te maken met rationalisatie en responsabilisering, twee kenmerken van het huidige overheidsbeleid. Enerzijds worden regeringen geacht efficiënt om te springen met de beschikbare middelen, anderzijds krijgen lokale besturen meer autonomie maar ook financiële verantwoordelijkheid.

Muyters is inmiddels de langstzittende sportminister ooit. "Het is uitzonderlijk dat een minister van Sport aan het einde van de legislatuur tien jaar met die bevoegdheid zal bezig zijn," stelt Scheerder vast. "Daardoor kun je continuïteit in je beleid leggen. Je kan deze minister niet verwijten dat hij geen visie heeft: hij heeft duidelijkheid geschept. Dat is belangrijk."

En dus investeert de Vlaamse overheid niet langer in lokale sportvelden en -hallen, kleine zwembaden of turnzalen, maar wel in vijftigmeterbaden, schietstanden, wielerpistes, mountainbikeparcoursen en atletiekcomplexen. Infrastructuur die door sportievelingen uit verschillende steden, gemeenten en dorpen kan gebruikt worden. Duurzaamheid, maar ook het nastreven van een optimale capaciteits- en bezettingsgraad en het tegemoetkomen aan nieuwe sport- en bewegingsnoden zijn daarbij belangrijke factoren.

Het Globaal Sportinfrastructuurplan Vlaanderen werd eind oktober vorig jaar al goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Nu wordt het in een decreet gegoten zodat het ook kan worden toegepast.

"Je kan minister Muyters niet verwijten dat hij geen visie heeft: hij heeft duidelijkheid geschept. Dat is belangrijk."

Aanbevelingen

In de BMS Studie worden concrete beleidsaanbevelingen gedaan. "Sport Vlaanderen zou als ambitie moeten hebben om in te zetten op een ruim en kwalitatief aanbod aan bovenlokale sportinfrastructuur dat zich richt naar een brede mix van gebruikers, van recreant tot topsporter. Bovenlokale infrastructuur van hoog niveau dient topsporters de kans te geven om in optimale omstandigheden te trainen. Het ruime aanbod zal recreanten en specifieke doelgroepen zoals allochtonen, G-sporters, 65-plussers, ... aanzetten om te sporten. Met het sportinfrastructuurplan wil men de sportparticipatie bevorderen."

Krachtlijnen van dit beleid moeten, volgens de studie, het proactief inzetten op topsport, het reactief ondersteunen van bovenlokale sportinfrastructuur en kennisontwikkeling en -deling zijn. Zes kernwaarden worden vooropgesteld: polyvalentie, clustering, integrale toegankelijkheid, beschikbaarheid, geografische spreiding en het economisch en gebruiksmatig onderbouwd zijn. Daarbij zal de rol van de Vlaamse overheid en Sport Vlaanderen van project tot project verschillen: van administrator over facilitator/regisseur en subsidiator tot bouwheer.

Het bestaan van infrastructuur geeft een vertekend beeld van de populariteit van een bepaalde sport, denkt Jeroen Scheerder. "Wij zijn vragende partij voor een nulmeting. Gaan mensen in een sporthal sporten omdat er nu eenmaal een sporthal is? Of zouden ze liever gaan zwemmen, maar doen ze dat nu niet omdat er geen bad is in de omgeving? Pas als je dat weet, kun je de werkelijke behoeften afleiden."

"Sport Vlaanderen zou als ambitie moeten hebben om in te zetten op een ruim en kwalitatief aanbod aan bovenlokale sportinfrastructuur dat zich richt naar een brede mix van gebruikers, van recreant tot topsporter"

Open de scholen

Professor Scheerder wijst ook op de aanwezigheid van een uitgebreide sportinfrastructuur in scholen, vooral dan in het katholieke net. Maar die is niet altijd even beschikbaar voor het grote publiek. "Na vijf uur gaat de schoolpoort dicht en staan die lokalen leeg. Ergens is dat ook begrijpelijk: wie gaat ze openhouden? Een oplossing zou kunnen liggen in een gedeelde verantwoordelijkheid, zodat die infrastructuur beschikbaar komt voor andere doelgroepen. Men moet daarvoor samen aan tafel gaan zitten. Kijk naar Nederland: daar wordt de infrastructuur beheerd door de wijk. De burgers, dus. Burgerinitiatieven als Ringland bij ons bewijzen dat het kan. We moeten ophouden met alleen naar de overheid te kijken en te wachten tot die een oplossing bedenkt. Regel dit als burgers onder elkaar. En het mooie is dat dit niet noodzakelijk veel geld hoeft te kosten. De overheid kan dan wel nog een potje opzij zetten om de infrastructuur te vernieuwen mocht dat nodig blijken."

Goed nieuws, want er komt schot in die zaak. Afgelopen woensdag maakte Vlaams minister van Onderwijs Crevits bekend dat drieënvijftig scholen subsidies zullen ontvangen om hun sportinfrastructuur aan te passen voor het grote publiek. Er wordt vier miljoen euro vrijgemaakt om te verbouwen en voor de exploitatie van de ruimtes. Dat geld is afkomstig van Sport Vlaanderen, het gemeenschapsonderwijs GO! en Agion, het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs. "Dit is een heel grote kans om de beschikbare sportruimte gevoelig uit te breiden", reageerde minister Muyters prompt.

"We moeten ophouden met alleen naar de overheid te kijken en te wachten tot die een oplossing bedenkt. Regel dit als burgers onder elkaar"

Sport op straat

En dan is er nog de openbare ruimte. Die is van iedereen én van niemand. Mensen gaan er lopen, wandelen en fietsen, nog altijd de drie voornaamste sportieve activiteiten in Vlaanderen, pas daarna komen fitness en zwemmen. Toch komt dit nauwelijks ter sprake als het over de inplanting van sport- en beweeginfrastructuur gaat. Jeroen Scheerder betreurt dat sport nog te weinig gelinkt wordt aan ruimtelijke ordening. "Ik heb ooit eens bij wijze van boutade opgemerkt dat in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 'sport' voornamelijk in het woord 'transport' voorkomt. Ik vind dat jammer. Om te sporten heb je ruimte nodig."

"Hier moeten maatregelen worden genomen qua veiligheid, toegankelijkheid en beweegvriendelijke inrichting. Ook dit hoeft niet noodzakelijk veel te kosten. Denk aan pleintjesvoetbal, straatlopen, een laagdrempelige speelstraat, fietsen, een wijkvolleybaltoernooi. Dat staat dicht bij de burger. Je moet daar als overheid bijna geen geld insteken, maar je moet het wel faciliteren."

"In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen komt 'sport' voornamelijk in het woord 'transport' voor. Ik vind dat jammer. Om te sporten heb je ruimte nodig"

539 dringende renovaties

Het Nieuwsblad deed recent een rondvraag in de 308 Vlaamse gemeenten en kwam tot de conclusie dat er slechts veertien gemeenten 'gebuisd' zijn als het op sportfaciliteiten aankomt. Dat is bemoedigend. Anderzijds wordt in zeven van de tien gemeenten wel geklaagd dat het huidige aanbod niet voldoet. "Dat cijfer is allicht overgewaardeerd," denkt professor Scheerder. "Wij gaan ervan uit dat het in vijf op de tien gevallen beter zou kunnen. Ik wil dat dus niet minimaliseren, maar de nood wordt enigszins overdreven. Al is er wel degelijk een capaciteitstekort. De vraag naar sportinfrastructuur is groter dan het aanbod."

Vaststelling: van de meer dan twintigduizend grote en kleine sportaccommodaties in Vlaanderen zijn er precies 539 dringend toe aan renovatie. Minder dan drie procent, dat klinkt allesbehalve alarmerend. Tot Scheerder het in z'n context plaatst. "Dat wil wel zeggen dat er in elke Vlaamse gemeente één of twee hallen of baden dreigen te worden gesloten."

Slijtage is de hoofdoorzaak. Zwembaden werden aangepast vanwege Vlarem, sporthallen niet. Met alle gevolgen van dien. Er is ook de ouderdom van de infrastructuur, die daardoor niet aangepast is aan de hedendaagse noden. En de energiekosten (voor verwarming en verlichting) swingen de pan uit.

Wat moet er gebeuren: renoveren, nieuwbouw of anders over sport gaan nadenken? "De huidige senioren zijn veertig jaar geleden grootgebracht met een nieuwe sportcultuur, die willen dat niet zomaar opgeven", vermoedt Scheerder. Maar net bij die groeiende groep van 55+'ers is een verschuiving merkbaar: drie op de vier fietsen regelmatig, zeven op de tien wandelen, en op de derde plaats staat, een beetje verrassend, petanque. Veertien procent van de senioren beoefent die sport, die we vooral associëren met het zuiden van Frankrijk, zon à volonté en pastis. Petanque is een goedkope sport: een paar banen van verhard zand of grind van een meter of twaalf, een afboording en een set ballen volstaan. "Deelnemers willen gerust zelf die infrastructuur onderhouden. Wees maar zeker: zij zullen die ruimte koesteren."

Oplossingen

Zo komen we bij de mogelijke denkpistes voor oplossingen die professor Scheerder aanreikt. Voornaamste uitgangspunt: we moeten als burgers ophouden om alle heil te verwachten van de centrale overheid. Plus: gemeenten zullen meer moeten samenwerken en financiële beleidsverantwoordelijkheid opnemen. "Ik weet dat het woord een vieze bijklank heeft gekregen, maar waarom gaan we niet nog meer voor intercommunales specifiek voor sport? Of fusies? Uit ons onderzoek blijkt dat mensen zich tot zeven kilometer willen verplaatsen om te gaan zwemmen. Ik besef dat dit electoraal niet altijd even lonend is, want natuurlijk scoort een burgemeester of schepen van Sport méér als híj het lintje namens de gemeente mag doorknippen. Maar gemeenten zullen keuzes moeten durven te maken. Dient een gemeente een subtropisch zwembad te bouwen of investeert ze best in een bad waar zowel initiatie als competitie aan bod kunnen komen? Dat zijn keuzes die op lokaal niveau en dus niet meer door Vlaanderen gemaakt moeten worden."

"Ik weet dat het woord een vieze bijklank heeft gekregen, maar waarom gaan we niet nog meer voor intercommunales specifiek voor sport?"

Publiek-private samenwerking moet volgens Scheerder verder worden uitgebouwd. "Je zou bijvoorbeeld voor elke euro die voortspruit uit PPS, een euro van de overheid kunnen stellen." Maar Scheerder wil vooral benadrukken dat sportinfrastructuur niet altijd veel geld hoeft te kosten, zoals hij al suggereerde met het openen van de schoolpoorten voor sportieve buitenstaanders en zijn verwijzing naar het succes van de zogeheten 'sport light': loopparcoursen, wandelroutes en fietsostrades.

"In Kopenhagen gaan mensen om zes uur 's morgens zwemmen, vóór ze naar het werk vertrekken. De Deense overheid heeft daarin geïnvesteerd. Vraag is dus: kunnen we het gebruik van de sportinfrastructuur ook bij ons beter spreiden en toegankelijk maken? En: moet alleen de overheid daarover nadenken of kunnen ook burgers en verenigingen betrokken worden? Nog te vaak worden heel wat sport- en beweegplekken op bepaalde tijdstippen niet gebruikt. Het lijkt me daarom nuttig eerst na te denken hoe bestaande infrastructuur nog beter benut kan worden alvorens we met nieuwe bouwplannen over de brug komen. Populaire sportplaatsen zijn tegenwoordig parken, de openbare weg en de sportruimte in het bedrijf waar je werkt. Daar heb je niet meteen een sporthal of zwembad voor nodig. We moeten de vraag durven te stellen of sportbeoefenaars wel altijd een dak boven hun hoofd nodig hebben."

Geïnteresseerde lezers kunnen de BMS Studies gratis downloaden via faber.kuleuven.be/BMS/

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.